Naar boven ↑

Rechtspraak

Kern

Een werknemer lijdt na een herseninfarct -die tijdens het dienstverband kreeg- aan epilepsie. Hierdoor is hij niet meer in staat, aldus de bedrijfsarts en de werkgever, zijn functie (naar behoren) te vervullen. De werkgever (RTV-Rijnmond) heeft daarop het tijdelijke arbeidscontract niet verlengd. De (ex)werknemer vordert in kort geding schadevergoeding, te weten een aanvulling tot zijn bij de werkgever genoten salaris. Volgens werknemer heeft RTV-Rijnmond in strijd met de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet omgezet in een arbeidsovereen-komst voor onbepaalde tijd. Het feit dat werknemer een arbeidsovereenkomst had voor bepaalde tijd mag hier geen verschil maken bij de beoordeling wat van RTV-Rijnmond mag worden gevergd. De grote lijn in de toepasselijke jurisprudentie is dat er door de werkgever dient te worden onderzocht welke arbeid voor de werknemer als passend is aan te merken en vervolgens of dergelijke arbeid bij de werkgever aanwezig is en of de werkgever in redelijkheid gehouden is deze arbeid aan te bieden. De werkgever kan niet volstaan met het argument dat er geen vacatures zijn, nu het mede gaat om nieuw te creƫren werkzaamheden, te meer omdat de werkgever de verplichting heeft tot re-integratie.

De kantonrechter oordeelt op verschillende gronden dat de vordering zich niet leent voor een kort geding-procedure. Allereerst is volgens de kantonrechter geen sprake van een spoedeisend belang. Werknemer ontvangt immers een ruime wettelijke uitkering (WW). Ook is van belang dat werknemer uitsluitend (schade)vergoeding vraagt, en dat niet blijkt dat hij een concreet aanbod tot werken in de functie waarvoor hij zich geschikt acht heeft gedaan, of, sterker nog, toelating vraagt tot de werkvloer om dat te gaan doen. Zonder nadere toelichting op dit punt, die ontbreekt, valt niet goed in te zien waarom werknemer wel wil worden betaald, terwijl daar geen enkele prestatie tegenover staat, of zelfs maar wordt aangeboden te verrichten. De vordering wordt afgewezen.

Doorslaggevend voor de afwijzing van de vordering is dat deze te complex is voor behandeling in kort geding. Nog meer dan bij de Algemene Wet Gelijke Behandeling, is bij de WGBH/CZ de geschiktheid voor de functie en/of het functioneren van de chronische zieke of gehandicapte een relevant criterium voor de vraag of er onderscheid is gemaakt. Dat blijkt onder meer uit de memorie van toelichting bij de WGBH/CZ, waarin wordt verwezen naar artikel 17 van richtlijn nr. 2000/78/EG (de algemene gelijke behandelingsrichtlijn). Ook als de ongeschiktheid samenhangt met de handicap of chronische ziekte, hoeft niet altijd sprake zijn van onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte. Doorslaggevend is dat iemand in staat is de essentiƫle taken van de functie uit te oefenen (waarbij dadelijk betrokken dient te worden of een doeltreffende aanpassing uitkomst kan bieden). Beantwoording van bovengenoemde vraag leent zich niet voor een kort geding procedure.