Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 16 juli 2009
ECLI:EU:C:2009:462
Evangelina Gómez vs. INSS en Alcampo
De Spaanse nationale regelgeving staat toe dat een werknemer die de wettelijke voogdij over een kind jonger dan zes jaar heeft, de arbeidsomvang met ten minste een derde mag verminderen (de zogenoemde arbeidstijdverkorting; hierna: ouderschapsverlof). Het loon wordt pro rato aangepast. Bij blijvende invaliditeit voor de eigen arbeid ontvangt een werknemer een pensioen van 55% van een basisbedrag dat wordt verkregen door de “bijdragegrondslagen” van de werknemer in de 96 maanden voorafgaand aan het intreden van het verzekerde feit, te delen door 112. Voor werknemers die gebruik maken van ouderschapsverlof geldt voor de vaststelling van de bijdragegrondslagen de bijdrage die zij hebben ontvangen voor de gewerkte uren. Werkneemster (Gómez) is sinds 1986 in dienst van Alcampo. Vanaf 2001 maakt zij gebruik van het ouderschapsverlof wegens wettelijke voogdij over een kind van jonger dan zes jaar. Op 30 juni 2004 wordt Gómez wegens blijvende volledige invaliditeit voor haar gewoonlijke beroep een pensioen uitgekeerd. Volgens Gómez dient bij de vaststelling van de hoogte van deze uitkering geen rekening te worden gehouden met het ontvangen loon tijdens de ouderschapsverlofperiode, maar uitsluitend met de hoogte van het loon zoals zij dat verdiende voor het ouderschapsverlof. Door dit niet te doen wordt volgens Gómez de praktische werking van het bevorderen van gelijk door middel van ouderschapsverlof teniet gedaan, alsmede (in)direct onderscheid op grond van mannen en vrouwen gemaakt.
Het Hof oordeelt als volgt. Zowel uit de formulering van clausule 2, punt 6, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof als uit de context ervan, blijkt dat die bepaling tot doel heeft het verlies te vermijden van de uit de arbeidsverhouding voortvloeiende verworven rechten of rechten in wording, waarover de werknemer op de datum van ingang van het ouderschapsverlof reeds beschikt en te verzekeren dat hij zich, na afloop van het verlof, wat deze rechten betreft, in dezelfde situatie bevindt als die waarin hij zich bevond voorafgaand aan dit verlof. De uit de arbeidsverhouding voortvloeiende rechten zijn die waarover de werknemer beschikte op de datum van ingang van het verlof. Clausule 2, punt 6, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof regelt echter niet de uit de arbeidsverhouding voortvloeiende rechten en plichten gedurende het ouderschapsverlof. Deze worden, krachtens voormelde clausule 2, punt 7, vastgesteld door de lidstaten en/of de sociale partners. Aldus verwijst deze clausule naar de nationale wetgeving en naar de collectieve overeenkomsten voor de bepaling van de regeling die van toepassing is op de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding, daaronder begrepen de mate waarin de werknemer, gedurende het verlof, rechten blijft verwerven ten opzichte van de werkgever en uit hoofde van ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid. De continuïteit van de verwerving van toekomstige rechten uit hoofde van wettelijke regelingen op het gebied van de sociale zekerheid gedurende het ouderschapsverlof wordt evenmin uitdrukkelijk geregeld in de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof. Clausule 2, punt 8, van deze raamovereenkomst verwijst echter naar de nationale wetgeving voor de bestudering en de regeling van alle socialezekerheidskwesties in verband met deze overeenkomst. Bijgevolg moet de mate waarin een werknemer socialezekerheidsrechten kan blijven verwerven terwijl hij een deeltijds ouderschapsverlof geniet, worden bepaald door de lidstaten. De conclusie is dan ook dat de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof zich er niet tegen verzet dat bij de berekening van het pensioen wegens blijvende invaliditeit van een werknemer rekening wordt gehouden met het feit dat deze laatste een tijdvak van deeltijds ouderschapsverlof heeft genoten waarin hij bijdragen heeft betaald en rechten op pensioen heeft verworven naar evenredigheid met het ontvangen loon. In het bijzonder gebiedt zij hun niet om de continuïteit van de rechten op de socialezekerheidsuitkeringen gedurende het ouderschapsverlof te voorzien.
Ten aanzien van het beroep op gelijk behandeling man/vrouw, overweegt het Hof het volgende. De nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, bepaalt dat het bedrag van het pensioen bij blijvende invaliditeit wordt berekend op basis van de door de werkgever en de werknemer gedurende de referentieperiode daadwerkelijk betaalde bijdragen, in casu de acht jaar voorafgaand aan het intreden van het risico. Voor zover de werknemer gedurende ouderschapsverlof in deeltijd een lager loon ontvangt vanwege de arbeidstijdverkorting, worden de bijdragen, die een percentage van het loon uitmaken, eveneens verlaagd en volgt hieruit een verschil in de verwerving van rechten op toekomstige socialezekerheidsuitkeringen tussen de voltijds werkzame werknemers en zij die gebruik maken van deeltijds ouderschapsverlof. In dit verband moet vooraf in herinnering worden gebracht, dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het gemeenschapsrecht zich niet verzet tegen de berekening van een ouderdomspensioen pro rata temporis in geval van deeltijdarbeid. Naast het aantal dienstjaren van een ambtenaar is immers de werkelijke duur van de door hem gedurende zijn loopbaan verrichte arbeid, vergeleken met die van een ambtenaar die zijn gehele loopbaan voltijds heeft gewerkt, een objectief criterium dat niets van doen heeft met discriminatie op grond van geslacht, en dat een evenredige verlaging van zijn pensioenrechten mogelijk maakt (zie, op het gebied van de openbare dienst, arrest van 23 oktober 2003, Schönheit en Becker, C-4/02 en C-5/02, Jurispr. blz. I-12575, punten 90 en 91). Met betrekking tot richtlijn 79/7 dient hieraan te worden toegevoegd dat zij, blijkens de eerste overweging van de considerans en artikel 1 hiervan, enkel de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid beoogt. Zo beschikken de lidstaten, krachtens artikel 7, lid 1, sub b, van deze richtlijn, over de bevoegdheid om de verwerving van rechten op socialezekerheidsuitkeringen uit hoofde van wettelijke regelingen na tijdvakken van onderbreking van het werk wegens de opvoeding van kinderen uit te sluiten van de werkingssfeer van deze richtlijn. Uit de rechtspraak blijkt immers dat richtlijn 79/7 de lidstaten nergens de verplichting oplegt, voordelen op het gebied van sociale zekerheid toe te kennen aan hen die kinderen hebben opgevoed, of te voorzien in rechten op uitkeringen na tijdvakken van onderbreking van het werk wegens de opvoeding van kinderen (zie, naar analogie, arrest van 13 december 1994, Grau-Hupka, C-297/93, Jurispr. blz. I-5535, punt 27). Bijgevolg moet worden geoordeeld dat het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, en in het bijzonder het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid in de zin van richtlijn 79/7, zich er niet tegen verzet dat een werknemer gedurende deeltijds ouderschapsverlof rechten verwerft op een pensioen bij blijvende invaliditeit naar evenredigheid van de gewerkte tijd en het ontvangen loon en niet alsof hij voltijds had gewerkt.