Naar boven ↑

Rechtspraak

Werkneemster (64 jaar) is in 1991 bij (de rechtsvoorganger van) het UWV in dienst getreden. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO-UWV van toepassing. In artikel 3:4 CAO-UWV is bepaald dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt wanneer werkneemster de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt overeenkomstig de ingangsdatum conform het pensioenreglement. De ingangsdatum van het pensioen kan voor het 65ste levensjaar liggen (prepensioen). Of dat het geval is nader bepaald in de pensioenreglementen van het UWV, meer in het bijzonder in Bijlage II (richtleeftijd pensioen). In dat geval kan werkneemster op basis van tijdelijke contracten blijven werken, maar eindigt de arbeidsovereenkomst te allen tijde van rechtswege bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Het UWV kan werkneemster echter ook weigeren een aanvullende arbeidsovereenkomst aan te bieden, indien ‘zwaarwegende bedrijfsbelangen’ zich daartegen verzetten. Werkneemster heeft in eerste aanleg gevorderd dat haar dienstverband op haar pensioenrichtleeftijd (62 jaar) niet van rechtswege eindigt wegens verboden leeftijdonderscheid op grond van artikel 7 WGBL. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de omstandigheid dat een of meer niet-pensioengerechtigde medewerkers in dezelfde functiegroep boventallig moeten worden verklaard als de arbeidsovereenkomst met een werkneemster in dezelfde functiegroep niet eindigt door verplicht pensioenontslag, mag aanmerken als objectieve rechtvaardiging van het (door het handhaven van het verplicht pensioenontslag) gemaakte direct onderscheid naar leeftijd en dus met toepassing van artikel 3:4 CAO mag weigeren een nieuw aansluitend dienstverband aan te bieden. Daar voegt het UWV aan toe dat het pensioenontslag voor het 65ste levensjaar met name is bedoeld om de beoogde personeelsreductie van 50% te realiseren, terwijl deze oudere werknemers voldoende conform het sociaal plan worden gecompenseerd en dit van hen mag worden verlangd op basis van solidariteit. De kantonrechter heeft werkneemster in het gelijk gesteld.

Het hof oordeelt als volgt. Op nationaal niveau wordt het arbeidsmarktbeleid in de periode waar het hier om gaat in groeiende mate gekenmerkt door bevordering van langer doorwerken door werknemers, in ieder geval tot de 65-jarige leeftijd. Het Vendrik-amendement en de aanpassing van de pensioenregeling van het Abp in dat verband passen daarin. Derhalve kan niet gezegd worden dat het door UWV (met de vakbonden) gevoerde beleid kan worden geplaatst in het kader van het arbeidsmarktbeleid op nationaal niveau. Het creëren van de mogelijkheid van verplicht pensioenontslag voor een beperkte groep medewerkers op een leeftijd die (soms veel) lager ligt dan de 65-jarige zoals die voor de overige werknemers van toepassing is - langs de weg van het met een beroep op een zwaarwegend bedrijfsbelang negatief beslissen op een verzoek als bedoeld in artikel 3:4, lid 1 t/m 3 van de CAO-UWV - kan dus niet objectief worden gerechtvaardigd met een beroep op in Nederland gevoerd nationaal arbeidsmarktbeleid en/of disproportionele overgangsmaatregelen. Ook doet zich niet voor een situatie die op één lijn gesteld kan worden met het loopbaanbeleid voor bijvoorbeeld piloten, reeds omdat daar sprake was van een voor alle piloten gelijkelijk geldende uittreedleeftijd. In het licht van het bovenstaande bezien kunnen de met voormelde overgangsmaatregelen gemoeide kosten geen basis vormen om - met een beroep op onderlinge solidariteit “de andere kant op” - het gemaakte leeftijdsonderscheid alsnog objectief te rechtvaardigen. Het behoud van hun baan door de Bijlage II medewerkers - met alle financiële en sociale consequenties van dien - is daarvoor (veel) te zwaarwegend. Het bovenstaande brengt mee dat geen sprake is van objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte leeftijdsonderscheid en dat werkneemster zich terecht beroept op de in artikel 13 WGBL voorziene nietigheid van de bepalingen in de CAO waarin dat onderscheid - de gecreëerde mogelijkheid van verplicht pensioenontslag op de richtleeftijd - is belichaamd.

Volgt bekrachtiging vonnis kantonrechter.

  • Wetsartikelen: 7 WGBL en 13 WGBL
  • Onderwerpen: Leeftijd (WGBL)
  • Trefwoorden: Leeftijdsdiscriminatie, Pensioenontslag, Prepensioen, Objectieve rechtvaardigingsgrond, Arbeidsmarktbeleid en Sociaal plan