Rechtspraak
Mevrouw Meerts is sinds 1992 in dienst van Proost NV (België). Vanaf 18 november 2002 heeft zij halftijds gewerkt in het kader van een ouderschapsverlof, dat op 17 mei 2003 zou eindigen. Op 8 mei 2003 is Meerts met onmiddellijke ingang ontslagen, met betaling van een ontslagvergoeding van tien maanden loon, die was berekend op basis van het loon dat zij op dat ogenblik ontving en dat met de helft was verminderd wegens de overeenkomstige vermindering van haar arbeidsprestaties. Meerts stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op een vergoeding berekend op basis van het voltijdse loon dat zij zou hebben ontvangen indien zij geen ouderschapsverlof had genoten. Het Hof van Cassatie heeft de volgende prejudiciële vraag aan het Hof voorgelegd: Moeten de bepalingen van de clausule 2, punten 4, 5, 6 en 7, van de [...] raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof [...], aldus worden uitgelegd dat in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever tijdens het stelsel van de verminderde arbeidsprestaties, zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn, de aan de werknemer verschuldigde opzeggingsvergoeding dient te worden bepaald op grond van het basisloon berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd als vorm van ouderschapsverlof in de zin van punt 3.a van clausule [2] van de raamovereenkomst?
Het Hof van Justitie EG oordeelt als volgt. Zowel uit de formulering van clausule 2, punt 6, als uit de context ervan, blijkt dat die bepaling tot doel heeft het verlies of de beperking te voorkomen van de uit de arbeidsverhouding voortvloeiende verworven rechten of rechten in wording, waarop de werknemer op de datum van ingang van het ouderschapsverlof aanspraak kan maken, en te verzekeren dat hij zich, na afloop van het verlof, wat deze rechten betreft, in dezelfde situatie bevindt als die waarin hij zich bevond voorafgaand aan dit verlof (zie in die zin arrest van 16 juli 2009, Gómez-Limón Sánchez-Camacho, C-537/07, punt 39). Gelet op de doelstelling van gelijke behandeling van mannen en vrouwen moet clausule 2, punt 6, worden opgevat als de uitdrukking van een beginsel van communautair sociaal recht van bijzonder belang, zodat zij niet restrictief mag worden uitgelegd (zie naar analogie arresten van 26 juni 2001, BECTU, C-173/99, Jurispr. p. I-4881, punt 43; 13 september 2007, Del Cerro Alonso, C-307/05, Jurispr. p. I-7109, punt 38; 15 april 2008, Impact, C-268/06, Jurispr. p. I-2483, punt 114, en 20 januari 2009, Schultz-Hoff, C-350/06 en C-520/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 22). Clausule 2, punt 7, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof verwijst naar de lidstaten en/of de sociale partners voor de vaststelling van de regeling die gedurende het ouderschapsverlof op de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding van toepassing is, daaronder begrepen de mate waarin de werknemer, tijdens die periode, rechten blijft verwerven ten opzichte van de werkgever. Een teleologische en systematische uitlegging leidt tot de zienswijze dat die verwijzing niet afdoet aan punt 6 van die clausule, waarin het heet dat 'de op de datum van ingang van het ouderschapsverlof door de werknemer verworven rechten of rechten in wording ongewijzigd behouden [blijven] tot het einde van het ouderschapsverlof'. Dit geheel van rechten en voordelen zou in gevaar komen indien, in geval van niet-naleving van de wettelijk bepaalde opzegtermijn bij een ontslag tijdens een deeltijds ouderschapsverlof, een voltijds in dienst genomen werknemer geen aanspraak meer zou kunnen maken op de vaststelling van de hem verschuldigde ontslagvergoeding op basis van het met zijn arbeidsovereenkomst overeenstemmende loon.
Derhalve oordeelt het Hof als volgt. Clausule 2, punten 6 en 7, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, gesloten op 14 december 1995, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/75/EG van de Raad van 15 december 1997, moet aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat, wanneer een werkgever de arbeidsovereenkomst van een voor onbepaalde tijd voltijds in dienst genomen werknemer tijdens diens deeltijds ouderschapsverlof zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn eenzijdig beëindigt, de aan de werknemer te betalen vergoeding wordt bepaald op basis van het verminderde loon dat hij ontvangt op het tijdstip van het ontslag.