Naar boven ↑

Rechtspraak

Halliburton BV/werknemer

Uitleg wijziging pensioenovereenkomst aan de hand van Haviltex. Positie van werknemer en het goed werknemerschap brengen niet met zich dat werknemer voldoende geïnformeerd mocht worden verondersteld

Werknemer is sinds 1985 in dienst van (de rechtsvoorganger van) Halliburton. Halliburton heeft besloten haar pensioenregeling te wijzigen, onder meer omdat deze niet voorzag in indexatie van de pensioenaanspraken van gepensioneerden en ex-werknemers. In 1994 is de nieuwe pensioenregeling van kracht geworden. Werknemer heeft zich op het standpunt gesteld dat de nieuwe pensioenregeling voorziet in een onvoorwaardelijk recht op indexering van pensioenrechten voor gewezen deelnemers, Halliburton daarentegen dat het gaat om een voorwaardelijke aanspraak, waarbij de jaarlijkse indexering afhankelijk is van extra renteopbrengsten die de verzekeringsmaatschappij aan Halliburton uitkeert. Het hof heeft werknemer in het gelijk gesteld. Daarbij heeft het hof overwogen dat op grond van de Haviltex-formule partijen in 1994 tot overeenstemming zijn gekomen over de pensioenregeling. De nadien gestelde voorwaarden dienden uitdrukkelijk door werknemer te worden aanvaard, hetgeen niet heeft plaatsgevonden. Tegen dit oordeel keert Halliburton zich in cassatie. Volgens Halliburton heeft het hof op onjuiste wijze de Haviltex-formule toegepast.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Het stond het hof vrij bij zijn uitleg van hetgeen tussen partijen op het punt van de indexering van het pensioen is overeengekomen allereerst te onderzoeken welke betekenis moet worden gehecht aan de inhoud van de brief van 9 juni 1994 met bijlage en het daarin neergelegde aanbod, door stilzwijgende aanvaarding waarvan door werknemer de gewijzigde pensioenregeling is tot stand gekomen, en aan de eerder in 1994 gehouden presentaties over de nieuwe pensioenregeling. Het oordeel van het hof, dat erop neerkomt dat in de door het hof geschetste omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat in de brief niet uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van een voorwaarde, werknemer aan de inhoud van de brief redelijkerwijze de betekenis van een onvoorwaardelijke indexering heeft mogen toekennen, is niet onbegrijpelijk. Het heeft daarbij acht geslagen op de zinsnede in de brief dat de financiering van de indexering plaatsvindt uit de extra renteopbrengsten die de pensioenverzekeraar aan Halliburton uitkeert en begrijpelijk gemotiveerd dat werknemer daaraan niet de betekenis van een voorwaardelijk recht op indexering behoefde toe te kennen die daarmee volgens Halliburton was beoogd.

Evenmin brengt het feit dat werknemer tijdens de wijziging van de pensioenregeling deel uitmaakte van het managementteam van Halliburton met zich dat van hem mocht worden verwacht - mede gezien de eisen van het goed werknemerschap ex artikel 7:611 BW - dat hij navraag zou doen over de voorwaarden van de pensioenregeling.

Volgt verwerping van het cassatieberoep.