Rechtspraak
Hoge Raad, 3 september 2010
ECLI:NL:HR:2010:BM7150
Stichting Hoger Beroepsonderwijs Haaglanden en Rijnstreek/werknemer
Werknemer (1949) is in 1988 in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van) de Hogeschool. Werknemer is in 2001 uitgevallen wegens spanningsklachten. In 2002 heeft werknemer zijn werkzaamheden weer hervat. In 2003 is werknemer opnieuw uitgevallen. Nadat de bedrijfsarts geen medische beperkingen meer aanwezig achtte en de WAO-aanvraag niet langer in behandeling werd genomen door het UWV, heeft de Hogeschool werknemer weer opgeroepen voor zijn werkzaamheden. Werknemer stelde zich op het standpunt dat hij niet in staat was de werkzaamheden te verrichten. Op 3 september 2004 heeft werknemer de bedrijfsarts bij de keel gegrepen en gedreigd een stoel naar diens hoofd te gooien. Werknemer is diezelfde dag op staande voet ontslagen. Het hof heeft geoordeeld dat geen sprake was van een dringende reden en voorts dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Daarbij is aan werknemer een vergoeding conform de kantonrechtersformule maal 0,7 toegekend. Tegen dit oordeel keert de Hogeschool zich in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Het hof heeft terecht bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden ex artikel 7:677 BW alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang beschouwd. De feitelijke klachten tegen dit oordeel falen. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 27 november 2009, nr. 09/00978, LJN BJ6596, geeft de door het hof (ook) in die eerdere arresten voorgestane benadering blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag kan niet worden vastgesteld door de kantonrechtersformule minus 30% als maatstaf te nemen. Het bestreden arrest kan dan ook niet in stand blijven.
Volgt vernietiging van het arrest.