Rechtspraak
Labots/UWV
Werknemer is in 1968 in dienst getreden bij GUO Uitvoeringsinstelling BV (hierna: GUO), een rechtsvoorganger van UWV, in de functie van opleidingsdeskundige. Die functie gaf hem recht op een dienstauto voor zowel zakelijk als privégebruik. Per 1 januari 2002 zijn GUO en een aantal andere organisaties opgegaan in UWV. Met het oog daarop is op 26 juni 2001 een Sociaal Plan vastgesteld met cao-status. Werknemer was lid van ABVAKABO FNV en op de voet van artikel 9 Wet CAO gebonden aan het Sociaal Plan. In dit Sociaal Plan is onder meer een overgangsregeling inzake de autoregeling opgenomen. Per 30 oktober 2005 heeft werknemer volgens het UWV geen recht meer op gebruik van een dienstauto. Volgens werknemer is sprake van een ongerechtvaardigde eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden. Zowel de kantonrechter als het hof hebben onder verwijzing naar het Sociaal Plan deze stelling verworpen en de vorderingen van werknemer afgewezen. Tegen het arrest van het hof is werknemer in hoger beroep gekomen. In cassatie klaagt werknemer onder meer dat het hof ten onrechte aan artikel 7:662 BW voorbij is gegaan. Vanwege het Unierecht hadden de feitenrechters desnoods ambtshalve aan artikel 7:662 BW moeten toetsen.
De advocaat-generaal concludeert als volgt. Volgens werknemer had het hof – mede vanwege het communautaire recht – desnoods ambtshalve moeten toetsen aan artikel 7:662 BW. In ieder geval had het hof niet aan deze stellingen van werknemer voorbij mogen gaan, omdat werknemer onvoldoende zou hebben gesteld. Het gaat hier dus om de grenzen van de rechtsstrijd. Bekend is dat het Hof van Justitie van de EU ten aanzien van oneerlijke bedingen in consumentenvoorwaarden (Richtlijn 93/13/EEG) een verplichting tot ambtshalve toepassing heeft aangenomen (evenals ten aanzien van Richtlijn 87/102/EEG inzake consumentenkrediet). Hierover bestaat veel literatuur, evenals over de meer of minder vergaande verplichting tot ambtshalve toepassing van communautair mededingingsrecht, zoals onder meer in de zaak Van Schijndel en Van Veen aan de orde. In dit verband is, zoals reeds bleek uit de conclusie van A-G Wuisman voor het arrest Cagemax/Staat van 2009, in Nederland ook de verhouding tot artikel 24 en 25 Rv aan de orde. De A-G concludeert evenwel dat op grond van Daddy's Dance Hall noch op grond van Bos/Pax kan worden geoordeeld dat de rechter ambtshalve dient te toetsen of sprake is van een overgang van onderneming. In casu stond de vraag centraal of sprake was van een overgang 'krachtens overeenkomst', nu de overgang naar het UWV het gevolg was van een wettelijke regeling (invoering SUWI).
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.