Rechtspraak
Rechtbank Limburg, 11 augustus 2010
ECLI:NL:RBMAA:2010:BN9219
werknemer/APG Algemene Pensioen Groep NV
Werknemer is per 1 april 2002 in dienst getreden bij de Stichting Pensioenfonds ABP (thans APG) als expert TI. Hij heeft altijd meer dan voltijds gewerkt. Deze zogenoemde 'meeruren' kreeg werknemer uitbetaald op grond van een tijdelijke aanvullende meerurenovereenkomst. Nadat werknemer in 2007 wegens burn-outklachten is uitgevallen en aansluitend reuma bij hem is geconstateerd, heeft het APG werknemers meerurenovereenkomst niet verlengd. Volgens werknemer maakt APG zich schuldig aan schending van artikel 7:648 BW en artikel 4 Wet gelijke behandeling handicap en chronische ziekte.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Met de door werknemer overgelegde brieven en de verklaring van de arbeidsjurist ter zitting heeft APG erkend dat de enige reden om eiser geen urenuitbreiding te geven voor 2009 gelegen was in de langdurige ziekte van werknemer. ABP maakt hiermee een direct onderscheid in de zin van de WGBH/CZ. Dit is alleen geoorloofd op grond van de in artikel 3 lid 1 opgenomen drie uitzonderingen. APG heeft echter gesteld noch is anderszins gebleken dat zij haar beslissing heeft genomen op basis van een van die gronden, die kort gezegd inhouden een noodzakelijk onderscheid ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid en maatregelen die als positieve actie kunnen worden gekwalificeerd. Ingevolge artikel 11 WGBH/CZ zijn dergelijke bedingen nietig. De beslissing waarbij eiser niet in aanmerking is gebracht voor de meerurenregeling vanaf 1 januari 2009 is dan ook nietig, evenals de betrokken regeling in de cao voor zover op grond daarvan een beslissing om de meerurenregeling niet te verlengen uitsluitend kan worden gebaseerd op een direct onderscheid in de zin van de WGBH/CZ.
Volgt toewijzing vordering werknemer.