Naar boven ↑

Rechtspraak

belanghebbende/De Staat
Hoge Raad, 17 februari 2012
ECLI:NL:HR:2012:BU8926

belanghebbende/De Staat

Of notariskantoor premieplichtig is ten aanzien van middelijk aandeelhoudende notaris, dient te worden beantwoord aan de hand van de partijbedoeling en de feitelijke uitvoering. Daarbij is mede de maatschappelijke positie van partijen van belang. De rechter dient alle omstandigheden uitdrukkelijk te beoordelen alsook te benoemen in zijn uitspraak

Een naamloze vennootschap (nv) exploiteert een notarispraktijk. De negen hierin werkzame notarissen zijn middellijk aandeelhouder van de nv; de aandelen worden gehouden door tien praktijkvennootschappen, waarvan de aandelen worden gehouden door de persoonlijke holdings van negen notarissen en een kandidaat-notaris. Aan het aandeelhouderschap is onverbrekelijk een zogenaamde aansluitingsovereenkomst verbonden tussen de nv en de praktijkvennootschap, op basis waarvan de notaris of kandidaat-notaris door de laatstgenoemde vennootschap ter beschikking wordt gesteld om in de nv arbeid te verrichten. De nv kent A-aandeelhouders en B-aandeelhouders. Voor een aantal besluiten hebben alleen de A-aandeelhouders stemrecht. Het betreft onder meer de besluiten ten aanzien van overdracht van aandelen in de nv, het aangaan, wijzigen en beëindigen van aansluitingsovereenkomsten en de uitgifte van aandelen. In geschil is of de B-aandeelhouders verplicht zijn verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Hof Amsterdam oordeelt in hoger beroep dat bij de B-aandeelhouders sprake is van een gezagsverhouding met de nv en derhalve van verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen. Voor dit oordeel acht het hof onder meer van belang dat de B-aandeelhouders – anders dan de A-aandeelhouders – geen stemrecht hebben ten aanzien van belangrijke besluiten zoals hierboven genoemd. Meer in het bijzonder acht het hof daarbij van belang dat de B-aandeelhouders geen stemrecht hebben bij het wijzigen en beëindigen van aansluitingsovereenkomsten en derhalve in de AVA geen stemrecht hebben bij het opzeggen van hun eigen aansluitingsovereenkomst. Het hof overweegt ten slotte dat artikel 17 Wet op het notarisambt, waarin is bepaald dat de notaris zijn ambt niet mag uitoefenen in dienstbetrekking of in enig ander verband waardoor zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid wordt of kan worden beïnvloed, niet in de weg staat aan het aannemen van een dienstbetrekking, als aan de elementen van het werknemerschap is voldaan.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Bij de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven (vgl. HR 25 maart 2011, nr. 10/02146, LJN BP3887, BNB 2011/205). Voorts is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie HR 14 november 1997, nr. 16453, NJ 1998, 149, onderdeel 3.4, en HR 13 juli 2007, nr. C05/331HR, LJN BA6231, NJ 2007, 449, onderdeel 3.5). Ten aanzien van de ‘partijbedoeling’, dient te worden opgemerkt dat bij die toetsing ook betekenis toekomt aan de maatschappelijke positie van degene wiens mogelijke hoedanigheid van werknemer wordt beoordeeld (zie HR 14 november 1997, nr. 16453, NJ 1998, 149, onderdeel 3.4 slot).

De Hoge Raad verwerpt allereerst het betoog van de nv dat de wettelijke regels die van toepassing zijn op het ambt van notaris dwingend in de weg staan aan het aannemen van een gezagsverhouding. Het betoog dat de aard en de wettelijke regeling van het ambt van notaris geen andere conclusie toelaten dan dat de wil van partijen niet was gericht op het sluiten van arbeidsovereenkomsten, faalt. Geen doorslaggevende betekenis komt toe aan de wil van partijen ten aanzien van de juridische kwalificatie van hun overeenkomst, maar de werkelijk bestaande wederzijdse rechten en verplichtingen zijn beslissend, zo nodig ook die welke eerst blijken bij de uitvoering van de overeenkomst. De bijzondere aard van het notarisambt is een van de omstandigheden die bij de hiervoor bedoelde toetsing dient te worden betrokken. Verder heeft het hof weliswaar opgesomd welke omstandigheden het ‘van belang’ achtte, maar zijn uitspraak geeft er geen blijk van dat het rekening heeft gehouden met alle omstandigheden die de rechtsverhouding van partijen bepalen, waaronder ook de omstandigheden die in een andere richting wijzen. De omstandigheid dat de B-aandeelhouders geen stemrecht hebben ter zake van het opzeggen van hun aansluitingsovereenkomsten is niet op voorhand van een bijzonder zwaarwegende, laat staan doorslaggevende, betekenis voor het bestaan van een gezagsverhouding. De opzegging van een aansluitingsovereenkomst tussen rechtspersonen kan bovendien niet zonder meer gelijk worden gesteld met het ontslag van een werknemer. De Hoge Raad wijst de verwijzingsrechter erop dat hij nadrukkelijk ook (de aard van) de dienstverrichting en de wijze waarop de beloning voor die dienstverrichting is vormgegeven (nader) in zijn oordeel moet betrekken.