Naar boven ↑

Rechtspraak

verzoekers/verweersters
Rechtbank Rotterdam, 11 december 2012
ECLI:NL:RBROT:2012:BZ0193

verzoekers/verweersters

Werknemers zijn in dienst van een uitzendbureau en als zeevarenden werkzaam. Er is geen sprake van een zeearbeidsovereenkomst met de eenschipsrederijen waar zij de werkzaamheden uitvoeren. Toepassing Maritiem Arbeidsverdrag 2006. Afwijzing ontbindingsverzoek

Verzoekers hebben een arbeidsovereenkomst met Y en zijn op de schepen van verweersters, eenschipsrederijen (elke verweerster is eigenaar van een schip), tewerkgesteld. De rederijen hebben Y medegedeeld dat de schepen verkocht zullen worden. Y heeft besloten de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De door Y ingediende ontslagaanvragen bij het UWV WERKbedrijf zijn afgewezen. Verzoekers stellen dat zij op basis van een zeearbeidsovereenkomst is dienst zijn van de rederijen, die te kwalificeren zijn als zeewerkgever ex artikel 309 lid 2 WvK. Zij stellen dat het ontbreken van een schriftelijke arbeidsovereenkomst met de rederijen hen niet kan worden tegengeworpen, nu het schriftelijkheidsvereiste bedoeld is om de zeevarenden te beschermen. Verwezen wordt naar de arresten Framroad en Pavletic (HR 23 januari 2009, NJ 2009, 71 en HR 9 december 2011, LJN BR6384). Thans verzoeken zij ontbinding van de zeearbeidsovereenkomst onder toekenning van een vergoeding met C=1,25.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen verzoekers en de rederijen is geen zeearbeidsovereenkomst tot stand gekomen. Op grond van artikel 376 lid 1 en 398 lid 1 WvK dient een zeearbeidsovereenkomst op straffe van nietigheid schriftelijk te worden aangegaan. Het feit dat niet voldaan is aan het schriftelijkheidsvereiste kan niet ten nadele van werknemers strekken, nu het op grond van vaste rechtspraak en de parlementaire geschiedenis vooral tot doel heeft de schepeling te beschermen. Er zijn door verzoekers echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te concluderen dat tussen ieder van hen en de rederijen een zeearbeidsovereenkomst bestaat. Niet gebleken is dat uitvoering is gegeven aan een overeenkomst die voldoet aan de kenmerken van een arbeidsovereenkomst. Onduidelijk is ook of alle verzoekers bij alle rederijen hebben gewerkt. Aangenomen moet worden dat verzoekers door Y zijn ingezet als uitzendkracht. Van belang hierbij is de Wet van 6 juli 2011 inzake implementatie van het op 23 februari 2006 te Genève tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag 2006 (Staatsblad 2011, 393), welke wet op 20 augustus 2013 in werking treedt en in dit verband zijn schaduw vooruitwerpt. Het nieuwe artikel 7:694 BW maakt het mogelijk dat een uitzendkracht als zeevarende werkzaam is. Ten aanzien van de uitzendsituatie is voorts het nieuwe artikel 7:693 BW van belang, waarin de inlener aansprakelijk wordt gesteld voor de nakoming van bepaalde in het verdrag opgenomen (vlaggenstaat)verplichtingen, indien de werkgever (het uitzendbureau dus) met de nakoming daarvan in gebreke is. In casu is niet gebleken dat verzoekers hun formele werkgever Y hebben aangesproken. Volgt afwijzing van het verzoek.