Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting DWN Services/Inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 5 maart 2013

Stichting DWN Services/Inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen

Leden van een geloofsgemeenschap die bewust afzien van ‘loon’ en wel arbeid verrichten, staan niet in privaatrechtelijke dienstbetrekking tot de werkverschaffer. De werkers (vrijwilligers) zien af van een aanspraak op loon en niet, zoals de Inspecteur het kennelijk ziet, van loon waarop zij aanspraak kunnen maken

De Stichting Christelijke Gemeente Nederland (hiema: CGN) behartigt de belangen van de geloofsgemeenschap. Belanghebbende neemt projecten/werken aan van gerenommeerde klanten, waaronder grootwinkelbedrijven. Het betreft vooral laaggeschoolde werkzaamheden, met name inventarisatie, winkelombouw, winkelinrichting en schoonmaakwerk. De opdrachtgevers betalen voor de werkzaamheden aan belanghebbende, hetzij in de vorm van een vooraf overeengekomen totaalprijs, hetzij op basis van het aantal werkelijk gewerkte uren tegen een vooraf overeengekomen uurtarief. De werkzaamheden worden feitelijk verricht door leden van de geloofsgemeenschap (hierna: de werkers). Aan de werkers, die allen afstand hebben gedaan van iedere aanspraak op loon, wordt geen loon betaald. De belanghebbende plaatst de aangenomen opdrachten op haar website. Via de website kunnen leden van de geloofsgemeenschap zich aanmelden voor de werkzaamheden. Belanghebbende organiseert de werkzaamheden. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de vrijwilligers/werkers in privaatrechtelijke dienstbetrekking staan tot DWN en derhalve premies afgedragen moeten worden.

Het hof oordeelt als volgt. Bij de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien (zie HR 17 februari 2012, zaaknr. 11/00371, LJN BU8926). Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven (vgl. HR 25 maart 2011, zaaknr. 10/02146, LJN BP3887, BNB 2011/205). Voorts is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie HR 14 november 1997, zaaknr. 16.453, LJN ZC2495, NJ 1998, 149, onderdeeI 3.4, en HR 13 juli 2007, zaaknr. C05/331HR, LJN BA6231, NJ 2007, 449, onderdeel 3.5). In het onderhavige geval is in het bijzonder in geschil of sprake is van loon. Onder loon dient in dit verband te worden verstaan niet het loon in de zin van artikel 10 Wet LB, maar de vergoeding die de werkgever aan de werknemer verschuldigd is ter zake van de bedongen arbeid (HR is december 1953, NJ 1954, 242, en HR 12 oktober 2001, NJ 2001, 635). In het onderhavige geval is tussen belanghebbende en de werkers nimmer overeengekomen dat belanghebbende enige vergoeding voor de arbeid aan de werkers verschuldigd is. Een dergelijke vergoeding heeft belanghebbende ook nimmer aan de werkers betaald. Noch de omstandigheid dat de werkers arbeid met een economische waarde verrichten, noch de omstandigheid dat een derde voor die arbeid ook daadwerkelijk aan belanghebbende betaalt, brengt naar het oordeel van het hof mee dat belanghebbende zich jegens de werkers heeft verplicht een vergoeding voor die arbeid te betalen. Daaraan doet niet af dat de werkers zich van de waarde van hun arbeid bewust waren, maar niettemin nalieten een beloning te bedingen, omdat zij belanghebbende wilden bevoordelen. De werkers zien af van een aanspraak op loon en niet, zoals de Inspecteur het kennelijk ziet, van loon waarop zij aanspraak kunnen maken. Er is derhalve geen sprake van een dienstbetrekking in de zin van artikel 7:610 BW.