Rechtspraak
X/Gemeente Spijkernisse
De gemeente had beslag gelegd op de AOW-uitkering van X onder de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Omdat de hoogte van deze uitkering lager was dan de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d Rv werd geen inhouding gepleegd. In mei 2012 werd aan X vakantiegeld uitgekeerd, maar het desbetreffende bedrag is door de SVB aan de gemeente overgemaakt. X heeft een verklaring voor recht gevorderd dat het volledige vakantiegeld onder de beslagvrije voet valt. Die vordering is afgewezen. De P-G heeft cassatie in het belang der wet ingediend. De rechtsvraag die in deze zaak speelt is de vraag of het vakantiegeld al dan niet een nabetaling is in de zin van artikel 475b lid 3 Rv, hetgeen ertoe zou leiden dat het vakantiegeld dat is opgebouwd over de periode voorafgaand aan de beslaglegging, ondanks het beslag aan de schuldenaar moet worden uitgekeerd. Gaat men uit van een maandelijkse berekening van de beslagvrije voet, dan heeft dit tot gevolg dat in de maand mei, na aftrek van de beslagvrije voet, het overige voor beslag vatbaar is, terwijl indien het vakantiegeld per maand zou zijn uitbetaald dit mogelijk steeds onder de beslagvrije voet zou zijn gebleven.
De advocaat-generaal (Hammerstein) stelt het volgende middel aan de Hoge Raad voor. De rechtbank heeft in haar vonnis miskend dat het vaststellen van de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d Rv bij een maandelijks inkomen aldus dient te geschieden dat de beslagvrije ruimte telkens voor die maand wordt berekend, zodat al het inkomen dat meer is dan die beslagvrije voet, waaronder het jaarlijks uitgekeerde vakantiegeld, onder het derdenbeslag valt ongeacht of het in eerdere maanden ontvangen inkomen per maand minder bedroeg dan de beslagvrije ruimte.