Naar boven ↑

Rechtspraak

ABN AMRO/werknemer

Weigering afgifte integriteitsverklaring oud-werkgever (ABN AMRO). Gedragingen die niet afzonderlijk maar in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd en getoetst aan Integriteitscode Nederlandse Vereniging Banken.

Werknemer is van 1 oktober 1974 tot 1 mei 2005 bij ABN AMRO in dienst geweest. De arbeidsovereenkomst is tussen partijen beëindigd onder toekenning van een vergoeding van € 770.000 aan werknemer. Werknemer is met ingang van 1 mei 2005 in dienst getreden bij Fortis Bank (Nederland) als relatiemanager bij MeesPierson. In de arbeidsovereenkomst is het niet verkrijgen van een integriteitsverklaring (conform de Integriteitscode van de Nederlandse Vereniging van Banken) als ontbindende voorwaarde opgenomen. ABN AMRO heeft geweigerd de integriteitsverklaring voor werknemer af te geven, omdat volgens ABN AMRO werknemer (soms ten koste van collega’s) het behalen van financiële doelstellingen boven alles plaatste en zich manipulatief zou hebben opgesteld in het managementteam. MeesPierson heeft werknemer vervolgens medegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst met hem als van rechtswege geëindigd beschouwt omdat de ontbindende voorwaarde is vervuld. In deze procedure vordert werknemer een verklaring voor recht dat ABN AMRO schadeplichtig is wegens het ten onrechte niet afgeven van een integriteitsverklaring. Het hof heeft geoordeeld dat onderzocht moet worden of ABN AMRO de integriteitsverklaring op grond van de redenen als genoemd in de Integriteitscode heeft geweigerd of op andere gronden. Alleen in het eerste geval heeft zij niet onrechtmatig gehandeld. Naar het oordeel van het hof is ABN AMRO niet geslaagd in het daartoe strekkende bewijs.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. ABN AMRO klaagt in cassatie terecht dat het hof bij beantwoording van de vraag of ABN AMRO afgifte van de door MeesPierson op de voet van de Integriteitscode verzochte verklaring mocht weigeren, de relevante gedragingen van werknemer niet alleen op zichzelf, maar mede in onderlinge samenhang dient te beoordelen. Daarbij gaat het niet alleen om de gedragingen die het hof in zijn eindarrest bewezen heeft geacht (bevriende relaties kredietfaciliteiten verlenen in strijd met de daarvoor bestaande richtlijnen; poging tot overheveling van verzekeringscontracten van een ander filiaal naar de Apollolaan om targets te halen), maar ook om de gedragingen die het hof in zijn eerste tussenarrest (in strijd met richtlijnen interne stukken thuis houden, stelselmatig bankfaciliteiten ten gunste van vrienden en kennissen gebruiken, tonen van chronisch gebrek aan respect voor collega’s) heeft aangemerkt als onvoldoende om als grond te kunnen dienen voor het weigeren van de integriteitsverklaring, respectievelijk om werknemer als niet-integer in de zin van de Integriteitscode te beschouwen.