Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 21 augustus 2013
ECLI:NL:RBMNE:2013:8015
werknemer/Imtech Infra Data B.V.
Werknemer is sinds 1997 in dienst van (een rechtsvoorganger van) Imtech. Zijn werkzaamheden bestonden uit het digitaliseren van tekeningen. Op 8 september 1998 heeft werknemer zich ziek gemeld met pijnklachten aan zijn rechterhand, -arm en -schouder. Werknemer is behandeld door een revalidatiearts. Voorts is zijn werkplek aangepast en heeft een begeleidingstraject plaatsgevonden. In juli 1999 heeft hij zijn eigen werkzaamheden volledig hervat, zij het dat hij ieder uur 10 minuten pauze had. Met ingang van 8 september 1999 is hij volledig arbeidsgeschikt verklaard. In november 2000 viel hij opnieuw uit met pijnklachten aan zijn rechterarm. Hij is opnieuw in een revalidatieprogramma opgenomen. Op 2 september 2003 is Imtech aansprakelijk gesteld voor de door werknemer geleden en te lijden schade ten gevolge van RSI. Er zijn daarna diverse rapporten en adviezen verschenen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of werknemer de schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden, zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 7:658 BW, heeft geleden. Hiermee draait het bij de beoordeling van de vordering allereerst om de vraag naar de causale relatie tussen het werk en de schade, en dus om de vraag of de RSI-klachten van werknemer door het beeldschermwerk bij Imtech zijn ontstaan. Werknemer stelt dat Imtech het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft overtreden en aldus haar zorgplicht heeft geschonden, hetgeen volgens werknemer impliceert dat de bewijslast op Imtech rust. Ten aanzien van de vraag of het Besluit Beeldschermwerk is geschonden en zo ja, of dit ertoe zou moeten leiden dat de bewijslast op Imtech rust, is het van belang om nader vast te stellen wat de werkzaamheden en de arbeidsomstandigheden van werknemer inhielden. Voor de periode van juni 1997 tot september 1998 wordt, gelet op de verklaring van werknemer ter zitting, ervan uitgegaan dat de werkzaamheden voor 30% uit uitzoekwerk bestonden. Met betrekking tot de periode van juli 1999 tot november 2000 was de situatie in zoverre anders dat werknemer om de 2 uur 10 minuten pauze had. Van belang is verder dat werknemer als hobby computeren heeft genoemd. Ingevolge het Arbeidsomstandighedenbesluit moest het beeldschermwerk zo worden georganiseerd dat het werk telkens na ten hoogste twee achtereenvolgende uren werd afgewisseld door andersoortige arbeid of door een rusttijd. De kantonrechter stelt vast dat daaraan in de periode vanaf juli 1999 werd voldaan zodat van overtreding van het Besluit in die fase geen sprake was. De vraag ligt voor of het Besluit in de periode van juni 1997 tot september 1998 werd overtreden. In die periode verrichtte werknemer langer dan 2 uur achtereen beeldschermwerk, maar dit werk werd tussentijds afgewisseld met uitzoekwerk. Of deze onderbrekingen zodanig waren dat aan de norm van het Besluit Beeldschermwerk werd voldaan, kan thans niet meer worden vastgesteld. De kantonrechter gaat ervan uit dat het Besluit Beeldschermwerk in die periode werd overtreden, zij het wellicht in beperkte mate. De vraag die thans moet worden beantwoord is of de schending van het Besluit Beeldschermwerk met zich brengt dat moet worden aangenomen dat de klachten in de uitoefening van de werkzaamheden zijn ontstaan. Van belang is dat uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 7 juni 2013 (AR 2013-0455), en de daarbij behorende conclusie van A-G Spier volgt dat dit bij multicausale beroepsziekten, zoals RSI, niet te snel mag worden aangenomen. Op basis van de zich in het dossier bevindende onderzoeksrapporten kan thans niet worden vastgesteld of de klachten door de werkzaamheden zijn ontstaan. De kantonrechter zal een deskundige benoemen, waardoor hierover duidelijkheid moet ontstaan. Volgt aanhouding van de beslissing.