Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 10 juni 2015
ECLI:NL:RBAMS:2015:3968
werkneemster/Eastern-Asia Trading B.V.
Werkneemster is op 1 november 2014 voor bepaalde tijd (6 maanden) in dienst getreden van Eastern-Asia als medewerkster bediening. Zij heeft zich op 7 februari 2015 ziek gemeld. In de weken daarna zijn whatsappberichten uitgewisseld over haar ziekte. Werkneemster heeft Eastern-Asia bij herhaling verzocht om een arboarts in te schakelen. Na een gesprek op 2 maart 2015 is aan werkneemster bericht dat tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst zal worden overgegaan. Werkneemster vordert loondoorbetaling vanaf 1 februari 2015 en een maand loon wegens het niet in acht nemen van de aanzegverplichting door Eastern-Asia (art. 7:668 BW).
De kantonrechter oordeelt als volgt. Eastern-Asia voert als meest verstrekkend verweer dat werkneemster niet ziek was en ten onrechte geen inlichtingen van haar arts of het ziekenhuis heeft verstrekt. Dit verweer houdt geen stand. Anders dan Eastern-Asia meent is een werknemer niet gehouden medische informatie aan de werkgever te verschaffen en evenmin om de werkgever te machtigen om medische gegevens op te vragen. Het komt voorshands voor risico van Eastern-Asia dat zij naar aanleiding van de ziekmelding op 8 februari 2015 niet direct een arbodienst en een bedrijfsarts heeft ingeschakeld, zoals zij op grond van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar had behoren te doen. Het verweer van Eastern-Asia dat werkneemster de ziekte, als gevolg waarvan zij niet is komen werken, opzettelijk heeft veroorzaakt, zodat de loonbetalingsverplichting op de voet van artikel 7:629 lid 3 onderdeel a BW is komen te vervallen, wordt in dit kort geding als betwist en onvoldoende onderbouwd verworpen. Met betrekking tot de stelling van Eastern-Asia dat zij de arbeidsovereenkomst in maart 2015 heeft beëindigd wordt overwogen dat in dit kort geding is gesteld noch gebleken dat partijen zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst voor het overeengekomen einde door tijdsverloop per 30 april 2015 zou kunnen worden beëindigd. Voorts is werkneemster geen concrete ontslaggrond medegedeeld. Voor zover Eastern-Asia zich in dit verband heeft willen baseren op de omstandigheid dat werkneemster op 27 februari 2015 in een uitgaansgelegenheid is gefotografeerd wordt in dit kort geding overwogen dat daarin op zichzelf onvoldoende grond kan worden gevonden om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Eastern-Asia is gehouden werkneemster het loon te betalen tot en met 30 april 2015, op welke datum de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd.
De vordering tot betaling van een vergoeding op grond van het niet nakomen van de aanzegplicht in artikel 7:668 lid 3 BW wordt afgewezen. Weliswaar heeft werkneemster betwist de op 5 maart 2015 gedateerde aanzegging, die per gewone post is verstuurd, te hebben ontvangen, maar in de whatsapp van Eastern-Asia is te lezen dat Eastern-Asia het dienstverband wilde beëindigen. Daaruit volgt dat Eastern-Asia de arbeidsovereenkomst na 30 april 2015 niet wilde voortzetten. Werkneemster heeft op dat whatsappbericht gereageerd, zodat ervan kan worden uitgegaan dat het bericht haar heeft bereikt. Daarmee heeft Eastern-Asia naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter voldaan aan de bedoelde aanzegverplichting.