Rechtspraak
Werknemer is regelmatig wegens ziekte uitgevallen. Hij is voor 15-25% arbeidsongeschikt bevonden door de UWV. In december 2001 meldt werknemer zich wederom ziek. In september 2002 deelt werknemer aan werkgever mede dat hij is hersteld en zich beschikbaar gesteld voor passende werkzaamheden. De arbeidsovereenkomst is per 1 augustus 2003 ontbonden.
In eerst aanleg heeft werknemer een loonvordering over de periode september 2002 tot augustus 2003 ingesteld. In eerste aanleg is werkgever veroordeeld tot volledige betaling van deze loonvordering.
In hoger beroep stelt de werkgever dat de werknemer zijn mededeling medisch had moeten onderbouwen. Omdat werknemer dit niet heeft gedaan, behoefde werkgever niet aan te nemen dat werknemer volledig was hersteld. Het hof oordeelt allereerst dat er geen (rechts)regel is die voorschrijft dat de werknemer die zich na een lange periode van arbeidsongeschiktheid bij zijn werkgever hersteld meldt voor het verrichten van passende arbeid, deze melding vergezeld doet gaan van een medische verklaring.
Voorts overweegt het hof, dat het vaste jurisprudentie is dat, wanneer een werknemer die door ziekte tot het verrichten van de bedongen arbeid blijvend ongeschikt is geworden, zich jegens zijn werkgever bereid heeft verklaard andere passende arbeid te verrichten en zijn werkgever hem daartoe zonder deugdelijke gronden niet in staat heeft gesteld, de werknemer van het tijdstip af dat voormelde deugdelijke gronden ontbraken recht heeft op zijn loon dan wel op een voor de door hem aangeboden en voor zijn krachten en bekwaamheden berekende arbeid passend gedeelte van dit loon (HR 8 november 1985, NJ 1986, 309). In geval van een zodanige bereidverklaring van de werknemer dient de werkgever zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is te onderzoeken of andere passende arbeid voorhanden is en daarover duidelijkheid te verschaffen aan de werknemer. Indien de werkgever daarmee in gebreke blijft, moet, ook als later blijkt dat geen passende arbeid voorhanden is, worden aangenomen dat een deugdelijke grond in deze zin heeft ontbroken zolang de werkgever in gebreke is gebleven terzake duidelijkheid te verschaffen (HR 17 januari 2003, NJ 2006, 533). Ingevolge artikel 8 lid 1, eerste volzin Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA), zoals deze luidde ten tijde van belang, rustte op de werkgever de verplichting om de interne re-integratie van de arbeidsongeschikte werknemer te bevorderen.
Gebleken is echter dat het UWV GAK reeds in 2001 na onderzoek tot het oordeel is gekomen dat er bij werkgever geen passende arbeid voor werknemer was. De werkgever heeft derhalve op deugdelijke gronden werknemer niet in staat gesteld passende arbeid binnen haar onderneming te verrichten. Werknemer heeft geen recht op loon en vakantietoeslag over de periode van 19 september 2002 tot einde dienstverband, 1 augustus 2003. Volgt vernietiging van het vonnis van de rechtbank.