Rechtspraak
Eiser heeft een concurrentiebeding getekend en treedt in dienst bij concurrent. Thans vordert hij schorsing dan wel matiging van het concurrentiebeding. De rechter oordeelt dat vast staat dat eiser door ondertekening van de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk akkoord is gegaan met het concurrentiebeding. Gesteld noch gebleken is dat hij destijds genoodzaakt was de arbeidsovereenkomst te ondertekenen, nu hij immers zelf vanuit een bestaande dienstbetrekking is overgestapt naar gedaagde. Gedaagde heeft als belang aangevoerd dat zij haar bedrijfsdebiet wil beschermen. P. is een directe concurrent. Daarnaast beschikt eiser over bedrijfsgevoelige informatie van gedaagde. Eiser heeft daarentegen als belang aangevoerd dat hij door in dienst te treden bij P. zich een betere arbeidspositie kan verwerven. Dit belang heeft hij, gezien het gemotiveerde verweer van gedaagde, onvoldoende aannemelijk weten te maken. De handhaving van het concurrentiebeding dient vooralsnog zwaarder te wegen dan het belang van eiser bij schorsing of matiging daarvan. De primaire vordering wordt mitsdien afgewezen. Volgens de wetsgeschiedenis, alsmede de vaste jurisprudentie, is er evenmin aanleiding om bij een onbeduidende belemmering van de werknemer een vergoeding toe te kennen. De subsidiaire vordering ex artikel 7:653 lid 4 BW wordt eveneens afgewezen.