Naar boven ↑

Rechtspraak

Kern

Werknemer heeft zich in december 2004 ziek gemeld wegens rugklachten. Vanwege de lange duur van het herstelproces, ontstaat bij werkgever TLN het vermoeden dat werknemer het herstel opzettelijk belemmerd. De werkgever huurt daarom een privaat opsporingsbureau in om de werknemer enige tijd te observeren. Van deze observaties zijn video's gemaakt. Op deze videobanden is te zien dat werknemer aanzienlijk minder moeite heeft met lopen, dan hij doet voorkomen bij de bedrijfsarts. Werknemer is op staande voet ontslagen.

Volgens werknemer zijn de video-opnames een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer ex artikel 8 EVRM. Volgens hem is slechts bij een vermoeden van strafbare feiten toegelaten om gebruik te maken van verborgen camera's, om dat vermoeden te onderzoeken, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 27 april 2001, NJ 2001/421 (Wennekes). Van een dergelijke verdenking was geen sprake, zodat de gemaakte opnamen niet tot bewijs mogen dienen.

Het hof oordeelt als volgt. Anders dan werknemer betoogt, is in het door hem aangehaalde arrest niet uitgemaakt dat uitsluitend in geval van verdenking van strafbare feiten video-opnamen onder omstandigheden als bewijs toelaatbaar zijn. Het bestaan van een dergelijke verdenking was in de daarbij aan de orde zijnde zaak één van de omstandigheden die heeft bijgedragen tot het oordeel dat de opnamen niet ontoelaatbaar waren. Werknemer lijkt verder over het hoofd te zien dat - indien bewezen - het voorwenden van een ziekte om daarmee enig voordeel te verwerven, te weten betaling van loon, zonder dat daar werkzaamheden tegenover staan, mogelijk aangemerkt zou kunnen worden als het misdrijf als strafbaar gesteld bij artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor zover aan de leer van het onrechtmatig verkregen bewijs in civiele zaken al betekenis toekomt, is er ook overigens geen aanleiding te oordelen dat de video-opnamen in deze zaak niet mogen bijdragen tot de beoordeling. Het gaat bij die opnamen immers, zoals TLN met recht heeft aangevoerd, om niets anders dan een vastlegging van hetgeen door de medewerkers van het detectivebureau is waargenomen en dus niet om opnamen met een daartoe aangebracht technisch hulpmiddel als bedoeld in artikel 441b van het Wetboek van Strafrecht. Voorts is van een niet-toelaatbare inbreuk op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer geen sprake, omdat het beelden betreft die op de openbare weg zijn gemaakt en die uitsluitend werknemer weergeven op momenten dat hij zich op de openbare weg beweegt.

Met betrekking tot de vraag of uit deze beelden ook voldoende is komen vast te staan dat werknemer geschikt was zijn eigen arbeid te verrichten wordt iedere beslissing aangehouden.