Naar boven ↑

Rechtspraak

Kern

De overeenkomst tussen Rabobank Noord-Kennemerland en werknemer is op 30 maart 2007 door de rechter ontbonden tegen 1 mei 2007 ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan werknemer van € 35.000. Per 1 mei 2007 treedt werknemer in dienst van Rabobank Midden-Westfriesland op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur.

Thans verzoekt Rabobank Noord-Kennemerland herroeping van de ontbindingsbeschikking omdat de werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan bedrog in de zin van artikel 382 aanhef en onder a RV. Rabobank heeft daartoe gesteld dat werknemer melding had moeten maken van het feit dat hij per 1 mei 2007 aan de slag zou gaan bij Rabobank Midden-Westfriesland dan wel zeer concrete vooruitzichten daarop had.

De kantonrechter oordeelt dat - gelijk door de Hoge Raad bij arrest van 19 december 2003 is overwogen (JAR 2004/15) - reeds van bedrog in de zin van artikel 382 aanhef en onder a RV sprake is indien een partij door haar oneerlijke proceshouding belet dat in de procedure feiten aan het licht komen die tot een voor de wederpartij gunstige afloop van die procedure zouden hebben kunnen leiden. De kantonrechter neemt met inachtneming van het vorenstaande tot uitgangspunt dat indien voor of tijdens een ontbindingsprocedure ex artikel 7:685 BW wordt onderhandeld over de hoogte van een aan de werknemer toe te kennen vergoeding althans indien tussen partijen duidelijk is dat de hoogte van een eventueel aan de ontbinding te verbinden vergoeding onderwerp van discussie is of zal zijn, van de werknemer mag worden gevergd dat, indien hij reeds een andere baan heeft dan wel concrete vooruitzichten daarop, hij daarvan desgevraagd of uit eigen beweging melding maakt.

Uit de feiten blijkt dat werknemer reeds medio februari 2007 uitzicht had op een baan bij Rabobank Midden-Westfriesland. De kantonrechter is van oordeel dat Rabobank zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat werknemer zijn voormalige werkgever daarvan vóór de beslissing van de kantonrechter in de ontbindingszaak op de hoogte had moeten brengen. De rechter heropent de zaak om partijen in gelegenheid te stellen nadere overeenstemming over de hoogte van het bedrag te bereiken. De tenuitvoerlegging van de ontbindingsbeschikking wordt tot die tijd geschorst.