Rechtspraak
Partijen in deze zaak twisten over de wijze waarop een bonus, die wordt vastgesteld over het jaarsalaris, moet worden berekend nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen lopende het jaar is opgezegd (per 1 september).
De kantonrechter oordeelt dat bij de uitleg van overeenkomsten, indien een daarin opgenomen beding onderwerp van geschil is, het steeds aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen daarvan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij een zodanig geschil behoeft het beding in kwestie uitleg en naar vaste rechtspraak kan deze niet worden gegeven op grond van alleen maar zuiver taalkundige uitleg. Alhoewel het zogenaamde Haviltex-criterium geenszins uitsluit dat aan de tekst van het uit te leggen beding onder omstandigheden beslissende betekenis toekomt, maakt de Hoge Raad op de gelding van het criterium geen uitzondering voor het geval dat (de tekst van) het beding op zichzelf duidelijk is, gezien de betekenis die naar het gewone spraakgebruik aan de bewoordingen daarvan toekomt.
Het beding in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst kan in de gegeven omstandigheden (het aangaan van een arbeidsrelatie, met een maandelijkse vaste beloning en een jaarlijkse vast te stellen bonus, die naar mag worden verwacht, tenminste 50% van de vaste beloning op jaarbasis bedraagt) tussen partijen in kwestie (werkgever en de in dienst tredende werknemer), niet anders worden uitgelegd dan dat eiseres daarmee recht krijgt op een pro rata te bereken bonus in het geval dat zij niet een volledig kalenderjaar heeft gewerkt, maar slechts een deel daarvan.
Eiseres heeft recht op bonus (pro rata). Vordering wordt toegewezen.