Naar boven ↑

Rechtspraak

Kern

Werknemer is per 1 maart 1989 bij Banz in dienst getreden in de functie van monteur buitendienst. Werknemer heeft in die functie woninginrichting- en aanverwante artikelen als maatwerk bij klanten thuis in elkaar gezet of gemonteerd en daarna bevestigd. Werknemer heeft enige perioden van arbeidsongeschiktheid gekend, met name van januari tot en met juni 1997 vanwege rugklachten en vanaf 18 december 2000 vanwege knieklachten en later psychische klachten. Werknemer is daarna met toestemming van de CWI ontslagen. Werknemer is een kennelijk onredelijk ontslag procedure gestart en nadien een 658-procedure.

Het hof vangt aan met de vaststelling dat in beginsel de artikelen 7:681 BW en 7:658 BW naast elkaar kunnen worden toegepast. Noch uit artikel 7:681 BW noch uit artikel 7:658 BW kan worden afgeleid dat toepassing van artikel 7:658 BW de toepasselijkheid van artikel 7:681 BW uitsluit. Evenmin brengen de hiervoor vermelde wetsartikelen onvermijdelijk mee dat artikel 7:658 BW ten opzichte van artikel 7:681 BW als een lex specialis dient te worden beschouwd. Centraal staat verder de 681-procedure. Het hof is van oordeel dat kan worden aangenomen dat onder meer de zware werkomstandigheden hebben bijgedragen aan de arbeidsongeschiktheid van werknemer. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het regelmatig tillen van zware zaken een gevaar oplevert voor het ontstaan van rugklachten. Ook een feit van algemene bekendheid is dat het dagelijks verrichten van werkzaamheden op de knieën zonder voldoende bescherming daarvan, zoals in het onderhavige geval, gevaar oplevert voor knieletsel. Het werk dat door [geïntimeerde] moest worden uitgevoerd, kende nagenoeg alle risicofactoren zoals vastgelegd in bijlage I van de richtlijn 90/269/EEG van de Raad van 29 mei 1990 betreffende de minimum veiligheids- en gezondheidsvoorschriften voor het manueel hanteren van lasten met gevaar voor met name rugletsel voor de werknemers (vierde bijzondere Richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) waarnaar het Arbeidsomstandighedenbesluit ook verwijst.

Omdat tijdens de mondelinge zitting de werkgever heeft gesteld dat er een schikkingsvoorstel is gedaan door de verzekeraar van werkgever, wordt de zaak aangehouden om dit punt nader te onderzoeken.