Naar boven ↑

Rechtspraak

Kern

Werknemer is met ingang van 1 maart 2002 in dienst getreden van Fianed. Vanaf 1 september 2002 heeft Fianed geen loon meer betaald. Eind september hebben partijen gesproken over een beëindiging van de arbeidsrelatie. Bij beschikking van 4 februari 2004 wordt de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en werkgever ontbonden per 11 februari 2004.

Werknemer start vervolgens een loonvorderingsprocedure. Het hof heeft, anders dan de kantonrechter, geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst per 1 september 2002 in onderling overleg is beëindigd, zodat eiser in beginsel een loonvordering heeft vanaf die datum tot 11 februari 2004. Het hof heeft de loonvordering echter gematigd tot 3 maandsalarissen. Tegen dit oordeel stelt werknemer beroep in cassatie in. Volgens werknemer heeft de hof ten onrechte de loonvordering gematigd.

Rechtsvraag:

Kan de rechter een loonvordering - buiten het geval dat een loonvordering is gegrond op de vernietigbaarheid van de opzegging (artikel 7:680a BW) - op grond van redelijkheid en billijkheid matigen?

r.o. 3.3. Onderdeel 2.1 klaagt, onder meer, dat het hof zijn uitspraak kennelijk heeft gebaseerd op art. 7:680a BW, doch ten onrechte, nu de in dat artikel bedoelde matigingsbevoegdheid slechts aan de rechter toekomt in het (zich hier niet voordoende) geval van een loonvordering die gegrond is op de vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Deze klacht is gegrond. Het hof heeft inderdaad kennelijk over het hoofd gezien dat art. 7:680a de rechter geen matigingsbevoegdheid geeft in een geval als het onderhavige, waarin de loonvordering niet samenhangt met de vernietiging van een opzegging van de arbeidsovereenkomst, maar gegrond is op het doorlopen van de arbeidsovereenkomst hoewel de werkgever op het standpunt staat dat die met wederzijds goedvinden is beëindigd. In zo'n geval kan de werkgever nog wel verlangen om op grond van art. 6:248 lid 2 BW te matigen, maar uit de uitspraak van het hof valt niet op te maken dat het aan die bepaling toepassing heeft gegeven, nog daargelaten of het in de stellingen van Fianed een - voldoende onderbouwd - beroep erop heeft kunnen lezen dat een integrale toewijzing van de loonvordering van eiser naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De overige klachten van het onderdeel behoeven geen behandeling meer. Hetzelfde geldt voor de onderdelen 2 en 3.

Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Arnhem.

De conclusie van de A-G strekt tot verwerping van het beroep.

(Red.: Zie ook Boekenvoordeel 14 juli 2006, JAR 2006/190, JIN 2006/316 m.nt. Houweling.)