Naar boven ↑

Rechtspraak

Kern

A was vanaf 14 maart 2003 volledig arbeidsongeschikt. Op 17 november 2003 heeft Transavia bij de sector kanton van de rechtbank te Haarlem een ontbindingsverzoek ingediend. In reactie op dit verzoek heeft B een inhoudelijk verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling van het verzoekschrift was vastgesteld op 9 januari 2004. A stelt zich op het standpunt dat zij geen recht kan doen gelden op de excedentenregeling of op de premievrije pensioenopbouw om de enkele reden dat zij bij het einde van haar wachttijd niet langer in dienst was bij Transavia en voor deze twee aanvullende verzekeringen geen uitloop gold van de voorheen voor haar afgesloten verzekering. Het had op de weg gelegen van de rechtshulpverlener van DAS, B, om haar te wijzen op deze gevolgen van beƫindiging van een arbeidsovereenkomst zo kort voor het einde van het eerste ziektejaar. Door dit niet te doen heeft B een beroepsfout gemaakt en is DAS toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de rechtsbijstandsverzekering. Ten gevolge van deze toerekenbare tekortkoming heeft zij schade geleden die door DAS vergoed zal dienen te worden, aldus steeds A.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam rechtshulpverlener in een arbeidsrechtelijk geschil mag zonder meer verwacht worden, zoals door A terecht wordt aangevoerd, dat alarmbellen waren gaan rinkelen bij een ontbinding zo kort voor het einde van de wachttijd. Daarnaast mag van een redelijk handelend en redelijk bekwaam rechtshulpverlener verwacht worden dat deze onder die omstandigheden precies inventariseert welke gevolgen de ontbinding op deze datum zou hebben voor de inkomenspositie van de werknemer. A heeft gemotiveerd gesteld dat B dit heeft nagelaten. Zij heeft er daartoe onder meer op gewezen dat B kennelijk in maart 2004, derhalve na ontbinding van de arbeidsovereenkomst, nog om de toepasselijke CAO moest vragen. Bovendien heeft zij correspondentie overgelegd waaruit blijkt dat B pas na de ontbinding in contact is getreden met Transavia om bepaalde rechten voor A zeker te stellen. In het licht van deze gemotiveerde stellingen van A had het ten minste op de weg gelegen van DAS om gemotiveerd aan te geven welke werkzaamheden B heeft verricht om te voldoen aan de hiervoor genoemde eisen die aan een redelijk handelend en redelijk bekwaam rechtshulpverlener in een arbeidsgeschil konden worden gesteld. Zij heeft hieromtrent echter niets aangevoerd, zodat de stellingen op dit punt van A als onvoldoende gemotiveerd betwist tot uitgangspunt worden genomen en tot het oordeel leiden dat inderdaad sprake is geweest van een beroepsfout.

  • Wetsartikelen: 6:74 en 7:685 BW
  • Onderwerpen: Overige
  • Trefwoorden: Beroepsfout rechtshulpverlener, Ontbinding arbeidsovereenkomst met arbeidsongeschikte werknemer kort voor einde wachttijd, Mislopen aanspraak op aanvullende WAO-uitkeringen en Toerekenbare tekortkoming