Rechtspraak
Werknemer en statutair directeur van Eco heeft per mail bedrijfsgevoelige informatie aan een aantal grote klanten/partijen van Eco doorgespeeld. Nadat uit onderzoek op diens laptop de overtredingen van het geheimhoudingsbeding zijn geconstateerd, is werknemer op staande voet ontslagen. De eerste AVA (februari) voldeed niet aan het vereiste van hoorplicht. De tweede AVA (maart) voldeed wel aan de procedureregels van boek 2. Volgens werknemer is het ontslag op staande voet niet geldig omdat hij niet voor een tweede maal (voorwaardelijk) op staande voet kan worden ontslagen en dat voorts geen sprake is van een onverwijlde opzegging.
Het hof overweegt als volgt. Opgemerkt moet worden dat de eis dat een ontslag op staande voet onverwijld moet worden gegeven op gespannen voet staat met de eisen die boek 2 BW stelt teneinde op een algemene vergadering van aandeelhouders van een besloten vennootschap niet in rechte aan te tasten (zie artikel 2:15 BW) besluiten te kunnen nemen. Het meest in het oog springend is in dat verband de oproepingstermijn (niet later dan op de vijftiende dag voor de vergadering) die artikel 2: 225 BW voorschrijft. Een en ander brengt mede dat het antwoord op de vraag of aan de eis van onverwijldheid is voldaan in gevallen als het onderhavige, moet worden gegeven met in achtneming van de eisen die het vennootschapsrecht aan het ontslag stelt.
Mede in het licht van het feit dat appellant op 7 februari 2008 al de reden van het voorgenomen ontslag op staande voet is medegedeeld en de eerder gegeven schorsing van appellant toen in ieder geval niet is opgeheven, oordeelt het hof voorshands dat voldaan is aan de eis van onverwijldheid als hiervoor bedoeld.
Anders dan in het door appellant aangehaalde arrest van dit hof van 24 januari 2007 (LJN: AZ7467) doet zich hier niet de situatie voor dat aan het op 14 maart 2008 gegeven ontslag op staande voet meer of andere redenen zijn ten grondslag gelegd dan aan op het op 7 februari 2008 gegeven nietige ontslag, zodat het beroep op dit arrest faalt.
Resteert de vraag of hetgeen Eco aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd een voldoende dringende reden voor dat ontslag oplevert. In het licht van de in artikel 19 van de arbeidsovereenkomst neergelegde geheimhoudingsplicht valt - naar het voorlopig oordeel van het hof — te verwachten dat de bodemrechter die vraag positief zal beantwoorden. Daaraan doen de beweerdelijk positieve intenties van appellant in onvoldoende mate af, nu het dan immers in ieder geval op de weg van appellant had gelegen zijn medebestuurders van het voornemen van bedoeld contact, c.q. van de inhoud van het e-mail verkeer met Hamilton en Atag op de hoogte te stellen c.q. te houden. De aanhef van de diverse berichten doet vermoeden dat appellant juist het tegendeel beoogde.