Rechtspraak
Butter heeft in april 2002 de vervoersactiviteiten - en de daarbij betrokken chauffeurs - overgenomen van Korteweg B.V. (in het vervolg: Korteweg) Op de arbeidsovereenkomsten van de Korteweg-chauffeurs was een andere CAO van toepassing dan de CAO-Beroepsgoederenvervoer die geldt voor de werknemers van Butter. In het kader van de overname van Korteweg is, na positief advies van de ondernemingsraad van Korteweg onder voorwaarden aan de directie van Korteweg, overeengekomen dat de betrokken chauffeurs een persoonlijke toeslag ontvingen bovenop hun loon bij Butter. In de individuele arbeidsovereenkomsten met werknemers zijn de voorwaarden over de persoonlijke toeslag opgenomen. Deze komen neer op het volgende. De hoogte van de toeslag was afhankelijk van het totale loon en CAO-toeslagen zoals zij dat in 2001 bij Korteweg hadden genoten.
Deze persoonlijke toeslag blijft ± 3,5 jaar ongewijzigd gerekend vanaf 8 april tot 1 januari 2006. Na ± 3,5 jaar zal de persoonlijke toeslag worden afgebouwd met de CAO-loonsverhogingen). Als het functieloon zoals vermeld onder 3 wordt verhoogd vanwege daartoe door CAO-partijen gemaakte afspraken, zal de persoonlijke toeslag met het bedrag van deze verhoging worden verlaagd. In geschil is de wijze van verlaging van de persoonlijke toeslag van een aantal bij de FNV aangesloten chauffeurs. FNV stelt dat de toeslag alleen verlaagd mag worden met de in de CAO afgesproken salarisverhogingen van het toepasselijke functieloon. Butter meent dat het bedrag van de afbouw berekend moet worden door het percentage van de CAO-stijging te vermenigvuldigen met de som van het functieloon, alle verdere emolumenten en de persoonlijke toeslag.
Het hof stelt voorop dat het hier gaat om de uitleg van een nagenoeg gelijkluidende bepaling in een aantal schriftelijke arbeidsovereenkomsten, die uitsluitend verschillen in de hoogte van de persoonlijke toeslag die daarin is toegekend. De uitleg van een individuele arbeidsovereenkomst dient, hoe zeer de tekst daarvan (mogelijk) ook is ontleend aan een tussen Butter en de ondernemingsraad van Korteweg gemaakte afspraak in het kader van de (gedeeltelijke) bedrijfsovername, te geschieden met inachtneming van de zogeheten Haviltex-maatstaf, die inhoudt dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet enkel kan worden beantwoord op grond van de taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Het komt immers steeds aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. HR 9 juli 2004, JAR 2004,189). Een en ander neemt niet weg dat de tekst van de arbeidsovereenkomst wel een zeer belangrijk element is bij de uitleg van de in geding zijnde bepaling.
Butter heeft aangevoerd dat het van belang is dat de persoonlijke toelage voor alle werknemers op hetzelfde moment zal zijn afgebouwd en dat haar methode van afschrijving dat bewerkstelligt. Het hof, in het midden latende of dit rekenkundig klopt, stelt vast dat uit niets blijkt dat dit argument bij de totstandkoming van de persoonlijke toelage een rol heeft gespeeld. Dat in de door FNV voorgestane uitleg de hoogste toelage langer zal blijven voortbestaan dan de laagste, acht het hof dan ook geen argument dat tegen de uitleg van FNV pleit. Het hof acht derhalve niet door Butter aangetoond dat de afbouw van de persoonlijke toelage op andere wijze zou dienen plaats te vinden dan volgt uit de tekst van de in geding zijnde arbeidsovereenkomsten. Butter biedt weliswaar bewijs aan van haar stelling dat dit wel het geval is, doch dit aanbod is onvoldoende gespecificeerd, zodat het hof daaraan voorbij gaat.
Vordering FNV wordt toegewezen.