Rechtspraak
Eiser, vanaf 1979 bij gedaagde in dienst, is vanaf zijn 60e één dag per week minder voor gedaagde gaan werken, maar is zijn volledige salaris blijven ontvangen. Eiser stelt dat hij dit met de vorige aandeelhouder van gedaagde is overeengekomen. De nieuwe aandeelhouder van gedaagde heeft eiser doen weten dat hij geen recht heeft op korter werken met behoud van het full time salaris. Eiser vordert verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst een duur heeft van 30,4 uur per week tegen het volledige bruto maandsalaris. Hij baseert zijn vordering primair op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW, subsidiair op de toepassing van het gelijkheidsbeginsel (HR 8 april 1994; JAR 1994/94).
De kantonrechter volgt eiser niet in zijn redenering dat sprake is van een weerlegbaar rechtsvermoeden in de zin van artikel 7:610b BW en dat op Zwager de bewijslast rust van het tegendeel. Gelet op het feit dat werkgever niet betwist dat de gemiddelde omvang van de door eiser verrichte arbeid in de laatste drie maanden 131,73 uur per maand heeft bedragen, is de omvang van de arbeidsovereenkomst immers niet in geschil. Waar partijen wel over van mening verschillen is de beloning die eiser toekomt. Volgens eiser is dat 100% van het salaris dat hij voor een volledige werkweek ontving, volgens werkgever heeft eiser bij een vierdaagse werkweek slechts recht op 80%. Het beroep op artikel 7:610b BW kan daarom geen doel treffen.
Hetzelfde geldt voor het beroep van eiser op het arrest van de Hoge Raad. Het ging daarbij, kort gezegd, om een werkneemster met een (diverse malen verlengde) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die, gelet op de lange duur van die arbeidsovereenkomst en het permanente karakter van de werkzaamheden, als vaste kracht voor onbepaalde tijd moest worden aangemerkt en dienovereenkomstig moest worden gehonoreerd. In het onderhavige geval beroept eiser zich niet op het gelijkheidsbeginsel, maar op een gerechtvaardigd vertrouwen in de zin van artikel 3:35 BW. Volgens eiser mocht hij uit de omstandigheid dat werkgever nimmer heeft geprotesteerd tegen het feit dat eiser een dag per week korter werkte en [eiser] steeds hetzelfde salaris is blijven betalen afleiden, dat werkgever heeft ingestemd met de door eiser gestelde wijziging van de arbeidsvoorwaarden. Werkgever heeft gemotiveerd betwist dat eiser deze gedragingen als zodanig heeft mogen uitleggen. Nu door eiser geen andere verklaringen en gedragingen van werkgever zijn gesteld die eiser, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht toekennen, heeft opgevat als een met die gedragingen overeenstemmende wil van werkgever, faalt het beroep op artikel 3:35 BW.
Eiser heeft voorts geen bewijs aangeboden van de door hem gestelde overeenkomst. De vordering wordt afgewezen