Rechtspraak
Werknemer is in dienst getreden bij gedaagde op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 26 weken. De dienstbetrekking is aangegaan voor de schoonmaakwerkzaamheden bij Van Merksteijn Bouwstaal B.V. Na ruim zes weken geeft Van Merksteijn Bouwstaal te kennen niet langer meer gebruik te willen maken van de schoonmaakdiensten van gedaagde. Daarop geeft gedaagde aan werknemer te kennen dat zijn dienstverband is geëindigd, onder verwijzing naar de in de arbeidsovereenkomst opgenomen “uitzendbeding”.
Volgens werknemer kon zijn arbeidsovereenkomst niet tussentijds worden opgezegd en is voorts in strijd met artikel 8 Schoonmaak CAO een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan. Werknemer stelt daarop een loonvordering in.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter kan eiser niet volgen in zijn redenering op grond waarvan hij tot de slotsom komt dat er geen sprake is van een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst. Uit de tekst van de arbeidsovereenkomst en de brief van Van Merksteijn d.d. 13 december 2006 blijkt dat eiser door gedaagde aan Van Merksteijn ter beschikking is gesteld om arbeid te verrichten onder leiding en toezicht van Van Merksteijn. Ook blijkt uit die brief dat zulks geschiedde uit hoofde van een tussen Van Merksteijn en gedaagde bestaande overeenkomst van opdracht. Voorts is evident dat gedaagde hierbij handelde in het kader van haar bedrijfsuitoefening. Hiermee voldoet de overeenkomst tussen gedaagde en eiser aan alle kenmerken van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 BW. De tussen het gesloten arbeidsovereenkomst dient dan ook als zodanig te worden gekwalificeerd. De bepaling, inhoudende dat de arbeidsovereenkomst eindigt indien en zodra de werkzaamheden bij Van Merksteijn worden beëindigd, moet worden uitgelegd als een zogenoemd schriftelijk overeengekomen uitzendbeding als bedoeld in artikel 7:691 lid 2 BW. Vast staat dat aan de tewerkstelling van eiser bij Van Merksteijn op verzoek van laatstgenoemde een eind is gekomen. De reden voor dit verzoek is niet relevant en kan in het midden blijven. Door het eindigen van de terbeschikkingstelling van eiser bij Van Merksteijn is op grond van het bepaalde in artikel 7:691, lid 2 de arbeidsovereenkomst met gedaagde van rechtswege geëindigd.
Eiser heeft nog aangevoerd dat gedaagde geen arbeidsovereenkomst mag sluiten in strijd met de CAO. Kennelijk leeft bij eiser de gedachte dat een van artikel 8 van de CAO afwijkende arbeidsovereenkomst ingevolge de CAO niet is toegestaan. De kantonrechter houdt die gedachte voor onjuist. Uit niets blijkt dat de opsomming van artikel 8 van de CAO limitatief bedoeld is. Uit het bepaalde in artikel 54 van de CAO blijkt juist het tegendeel. Het gebruik maken van uitzendkrachten is tot op zekere hoogte uitdrukkelijk toegestaan. Gesteld noch gebleken is dat gedaagde in dat opzicht buiten de kaders van de CAO is getreden.
Volgt afwijzing vordering.