Naar boven ↑

Rechtspraak

Kern

GVB was tot 1 januari 2007 een diensttak van de gemeente Amsterdam. Per genoemde datum is GVB verzelfstandigd, is alle medewerkers ontslag wegens verzelfstandiging verleend en een arbeidsovereenkomst aangeboden. Het Ambtenaren Reglement Amsterdam (ARA) is bij die gelegenheid als onderdeel van een besluit van de gemeente Amsterdam één op één omgezet in de CAO. Deze CAO is op 29 maart 2007 overeengekomen tussen ABVAKABO FNV, CNV Publieke Zaak en ABGP als vakorganisaties enerzijds en GVB Holding N.V. anderzijds. De CAO had een looptijd van 1 januari 2007 tot 1 juli 2007 en wordt in afwachting van een nieuwe CAO nog steeds toegepast. De gebruikelijke werktijd per week is volgens de CAO 36 uur. In de CAO komt de volgende bepaling voor: Artikel 3.4 lid 2: “De maximale volgens werkrooster geldende werktijd van de medewerker van 60 jaar of ouder is gemiddeld 33,5 uur per week.” Deze bepaling stond in een bijlage van het ARA, maar was in feite een dode letter. De medewerkers vroegen er niet naar en het GVB bracht de werktijd van 60 jarigen niet standaard terug naar 33,5 uur per week. Pas eind 2007 en begin 2008 hebben een aantal medewerkers een beroep op de bepaling gedaan. Twee verzoeken zijn door leidinggevenden vanaf januari 2008 gehonoreerd, maar inmiddels per 1 maart 2008 weer ongedaan gemaakt, de overige verzoeken zijn gemotiveerd afgewezen door GVB. GVB heeft op 31 januari 2008 aan de belanghebbende vakbonden bericht dat zij de bewuste bepaling in afwachting van de besprekingen met de vakbonden niet zal toepassen. Zij beroept zich daarbij op strijdigheid van de bepaling met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd. AGBP vordert als voorziening in het geschil dat partijen verdeeld houdt GVB op straffe van een dwangsom te gebieden de CAO onverkort na te komen.

De kantonrechter overweegt als volgt. Opmerkelijk is dat GVB uitsluitend artikel 3.4 lid 2 van de CAO niet langer wil nakomen en andere bepalingen van die CAO, waarin medewerkers boven een bepaalde leeftijd begunstigende arbeidsvoorwaarden worden toegekend, waarvan eveneens discutabel is of een objectieve rechtvaardigingsgrond voor de betreffende regeling aanwezig is, buiten beschouwing laat en kennelijk wel de bereidheid heeft om die bepalingen toe te passen. Verwezen wordt naar artikel 4.1 van de CAO, volgens welke bepaling het aantal vakantiedagen waarop aanspraak kan worden gemaakt, toeneemt bij het vorderen van de leeftijd en naar het seniorenbeleid van blz. 154 e.v. van de CAO. Senioren van 55 jaar en ouder kunnen op aanvraag ontheven worden van verplichtingen als overwerk, beschikbaarstelling en nachtdiensten, waarbij zij aanspraak kunnen maken op een garantietoeslag. Gezien de zo even genoemde in de CAO voorkomende extra faciliteiten voor oudere werknemers naast het bepaalde in artikel 3.4 lid 2, valt niet in te zien welk bijzonder belang GVB heeft bij het specifiek buiten toepassing laten van artikel 3.4. lid 2 van de CAO. De door GVB geschetste nadelen voor haar bedrijfsvoering van toepassing van dit CAO-artikel gelden immers evenzeer voor de andere seniorenregelingen. De kantonrechter acht artikel 3.4 lid 2 van de CAO voorshands geldig.

  • Wetsartikelen: WGBL
  • Onderwerpen: Leeftijd (WGBL)
  • Trefwoorden: Wet gelijke behandeling leeftijd, Arbeidsduur 60plussers, CAO-bepaling, Objectieve rechtvaardigingsgrond en Selectief beleid werkgever (zie ook: )