Naar boven ↑

Rechtspraak

In een tussenvonnis werd werknemer opgedragen de feitelijke grondslag van zijn vordering te bewijzen, namelijk dat hem door Garage St. Martin een aanbod is gedaan tot beƫindiging van de arbeidsovereenkomst tegen betaling van de door het Departement van Arbeid te berekenen vergoeding. Werknemer is niet in zijn bewijs geslaagd. Dat betekent dat de vordering van werknemer in beginsel dient te worden afgewezen. Op voet van art. 118 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering wil het gerecht partijen echter het volgende voorleggen.

Nu gebleken is dat werknemer niet bij Marshall Motors N.V. in dienst is getreden, is het de vraag of aan de arbeidsrelatie met Garage St. Martin wel een einde is gekomen. Dat werknemer de arbeidsovereenkomst eenzijdig heeft beƫindigd, is een stelling die Garage St. Martin dient te bewijzen. Te meer onder verwijzing naar artikel 3:35 BW en de daarop gewezen arresten van de Hoge Raad, ligt een bevestigend antwoord op de vraag of Garage St. Martin werknemer aan zijn ontslagname mocht houden, niet zonder meer voor de hand. Garage St. Martin wordt in de gelegenheid gesteld nader bewijs te leveren.

Volgt aanhouding van de zaak.