Rechtspraak
Nederland heeft in 1976 het op 25 juni 1973 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende de sociale gevolgen van nieuwe laad- en losmethoden in de havens (Verdrag 137) van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) geratificeerd. Aan de registratieverplichting van artikel 3 van Verdrag 137 is in de Rotterdamse haven tot 1 januari 1996 uitvoering gegeven door de Havenwerkgeversvereniging Scheepvaart Zuid en vervolgens tot 1 januari 2000 door de Algemene Werkgeversvereniging VNO-NCW. Sinds laatstgenoemde datum werd niet meer geregistreerd. De regering was van plan een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in te dienen dat voorziet in goedkeuring van de opzegging van IAO-Verdrag 137 vóór 23 juli 2006. FNV vordert voor recht te verklaren dat de weigering van de Staat om de verplichting tot registratie van werknemers in nationale wetgeving en praktijken te bewerkstelligen in strijd is met het bepaalde in artikel 3 van IAO-Conventie137 alsmede het bepaalde in de IAO-Constitutie.
De rechtbank oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat Nederland thans niet voldoet aan de registratieverplichting in artikel 3 van IAO-Verdrag 137. Krachtens artikel 19, vijfde lid, van de IAO-Constitutie is de Staat verplicht na bekrachtiging van een verdrag tot “such action as may be necessary to make effective the provisions of such Convention”. Uit het voornemen tot opzegging van IAO-Verdrag 137 leidt de rechtbank af dat de Staat ten aanzien van dit verdrag niet aan deze verplichting zal voldoen. Vordering wordt toegewezen.