Rechtspraak
Werknemers zijn in 1998 respectievelijk 2003 in dienst van de Gemeente Amsterdam getreden als toezichthouder bij de Dienst Stadstoezicht. Zij zijn werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd waarop, op enkele uitzonderingen na, de bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenverordening Amsterdam (AVA) met bijbehorende uitvoeringsbesluiten en voorschriften van toepassing zijn verklaard en voorts een aantal bepalingen uit het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA). De arbeidsplaatsen van werknemers zijn indertijd gecreƫerd met behulp van door de centrale overheid verstrekte subsidie in het kader van de Regeling In- en doorstroombanen voor langdurig werklozen (hierna de ID-regeling), een subsidieregeling bestemd om langdurig werklozen in een zodanige positie te brengen dat zij een reguliere arbeidsplaats zouden kunnen verwerven. Nadat de ID-regeling is afgeschaft, is door de Gemeente besloten om de bij de Dienst Stadstoezicht in gesubsidieerde arbeidsplaatsen werkzame medewerkers met ingang van 1 april 2006 over te plaatsen naar de Dienst Werk en Inkomen. Deze dienst zou zorgdragen voor de bemiddeling van de betrokkenen naar regulier werk. Ondertussen zouden de betrokkenen hun functies bij de Dienst Stadstoezicht vooralsnog blijven vervullen. Op 28 maart 2006 is door het college van burgermeester en wethouders aan werknemers bericht dat zij per 1 april 2006 worden overgeplaatst naar de Dienst Werk en Inkomen/Pantar. De functie alsmede alle overige arbeidsvoorwaarden bleven ongewijzigd. Werknemers hebben in kort geding een voorziening gevorderd die ertoe strekt dat de Gemeente niet overgaat tot overplaatsing van werknemers naar de Dienst Werk en Inkomen en voorts bevordert dat werknemers als toezichthouder bij de Dienst Stadstoezicht werkzaam kunnen blijven. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Het hof heeft het oordeel van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof heeft overwogen dat werknemers werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst en dat de Gemeente - in de contractuele relatie tot werknemers - in alle redelijkheid tot overplaatsing van werknemers heeft mogen beslissen - zeker nu dit geen arbeidsvoorwaardelijke gevolgen met zich bracht. De omstandigheid dat de overplaatsing verband hield met het voornemen van de Gemeente om de gesubsidieerde functies waarin werknemers zijn aangesteld op den duur af te schaffen dan wel te vervangen door reguliere ambtelijke functies waaraan zwaardere eisen worden gesteld leidt niet tot een andere uitkomst van de beoordeling. Vast staat dat werknemers destijds tewerk zijn gesteld in een gesubsidieerde arbeidsplaats: zij dienden er derhalve rekening mee te houden dat de aldus gecreƫerde functie op den duur zou komen te vervallen en dat de Gemeente nadere (opleidings)eisen zou kunnen stellen indien zij voor een reguliere (ambtelijke) aanstelling in aanmerking wensten te komen. Dat de Gemeente jegens hen verplichtingen die krachtens de ID-regeling op haar rusten niet dan wel niet in voldoende mate is nagekomen wordt door de Gemeente gemotiveerd betwist en is voorshands onvoldoende gebleken.
Tegen dit oordeel hebben werknemers beroep in cassatie ingesteld. Volgens werknemers heeft het hof de aard van de werkverhouding miskend. Naar het oordeel van de werknemers is niet zonder meer sprake van een arbeidsovereenkomst ex artikel 7:610 BW, maar mede - zo niet uitsluitend - sprake van een ambtelijke status waardoor het ARA van toepassing zou zijn. Op grond van deze bijzondere status en regeling zou de overplaatsing niet hebben mogen plaatsvinden.
De A-G concludeert tot verwerping van het beroep. De stellingen van werknemers zijn deels van feitelijke aard die voor het eerst in cassatie worden opgeworpen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep (81 RO).