Rechtspraak
werkneemster/werkgever
Werkneemster (41 jaar) is op 1 augustus 1990 in dienst getreden van werkgever, laatstelijk in de functie van coördinatrice zakelijke reisafdeling. Werkgever heeft per 1 januari 2010 deze afdeling verkocht aan Y. Aanvankelijk stond werkneemster positief ten opzichte van deze overgang. Toen bleek dat Y werkneemster mogelijk in een andere woonplaats wilde tewerkstellen, heeft werkneemster werkgever verzocht op een andere afdeling werkzaam te mogen zijn. Werkgever oordeelde dat werkneemster niet geschikt was voor de functie op deze afdeling, maar is daar later op teruggekomen. Thans verzoekt werkneemster ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat zij alle vertrouwen in haar werkgever kwijt is.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Omdat beide partijen ervan uitgaan dat werkneemster niet krachtens artikel 7:663 BW in dienst van Y is getreden en de arbeidsrelatie tussen hen nog steeds voortduurt, zal de kantonrechter zich hieraan conformeren. Nu werkneemster heeft aangegeven onder geen beding bij werkgever te blijven werken, zal de ontbinding worden uitgesproken.
Wat de vergoeding betreft, oordeelt de rechter als volgt. Er zijn wettelijke regels die bij overgang van een onderneming bescherming bieden aan de rechten van de werknemer. Dat werkneemster in die overgang geen vertrouwen had omdat de door haar gewenste werkplekgarantie niet door Y in de door haar gewenste bewoording in een nieuw contract werd aanvaard komt voor rekening van werkneemster of hoogstens voor rekening van Y, maar kan in ieder geval niet aan werkgever worden toegerekend, laat staan verweten. Wel kan werkgever worden verweten dat hij niet met werkneemster in contact is getreden, maar tamelijk formeel middels de advocaat wees naar Y. Derhalve komt werkneemster een 'schadevergoeding' toe gelijk aan C=0,5.