Rechtspraak
werknemer/G:M Contractors BV
Werknemer is op 8 november 1999 bij G:M in dienst getreden als productiemedewerker. Op 26 augustus 2002 is werknemer door G:M op staande voet ontslagen. Vervolgens heeft werknemer op 26 februari 2003 G:M gedagvaard voor de Kantonrechter 's-Gravenhage. Zijn toenmalige vordering strekte tot een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet onrechtmatig was en voorts tot doorbetaling van loon vanaf 26 augustus 2002. G:M heeft op haar beurt voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. Dit verzoek is op 18 april 2003 mondeling behandeld door de kantonrechter. Tijdens een schorsing van de zitting zijn partijen mondeling een schikking overeengekomen met in elk geval de volgende inhoud: (1) intrekking van het ontslag op staande voet; (2) het laten vallen van de voorwaarde waarvan het ontbindingsverzoek afhankelijk was gesteld; (3) een eenstemmig verzoek van partijen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 18 april 2003, onder toekenning aan werknemer van een vergoeding ter grootte van twee bruto maandsalarissen; (4) royement van de door werknemer aangevangen loonvorderingsprocedure. Overeenkomstig deze schikking heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op 18 april 2003 ontbonden. De loonvorderingsprocedure is nadien op verzoek van werknemer geroyeerd. Bij dagvaarding van 8 december 2003 heeft werknemer een nieuwe procedure tegen G:M aanhangig gemaakt bij de Kantonrechter 's-Gravenhage. Hij vorderde betaling van loon en wat daarbij hoort over het tijdvak van 26 augustus 2002 tot 18 april 2003 op grond van artikel 7:628 BW. G:M heeft ten verwere aangevoerd dat de bij de schikking overeengekomen vergoeding van twee bruto maandsalarissen tot finale kwijting strekte, ook wat betreft de destijds gevorderde doorbetaling van loon. Zowel de kantonrechter als het hof hebben de vordering van werknemer afgewezen. Het hof heeft betekenis toegekend aan het feit dat de kantonrechter in de ontbindingszaak het voorstel tot een schikking heeft gedaan met daarbij een 'intrekking van de loonvordering'. Dat uitgangspunt had dus als vertrekpunt te gelden, zodat indien werknemer zijn loonvordering niet wilde prijsgeven, hij een voorbehoud had moeten maken. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.