Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting Cardia
Hoge Raad, 8 juli 2011
ECLI:NL:HR:2011:BQ5082

werknemer/Stichting Cardia

Geen behoud van identiteit van de arbeidsovereenkomst bij Ragetlie-regel. Schending van goed werkgeverschap leidt niet tot andere uitleg van de Ragetlie-regel

Werknemer is tot 1 september 2007 in dienst geweest van Stichting Onderwatershof (hierna: Onderwatershof), die een verzorgingshuis beheerde. Werknemer was algemeen directeur en bestuurder van Onderwatershof. Onderwatershof en Cardia zijn per 1 september 2007 een personele unie aangegaan. Op die datum trad werknemer terug als bestuurder van Onderwatershof en was hij in dienst van Cardia als adviseur van het bestuur en de Raad van Toezicht. Uit de schriftelijke stukken blijkt dat werknemer een dienstverband tot 1 juli 2008 is aangegaan. In september 2007 zijn de verhoudingen tussen partijen verslechterd en heeft werknemer zich ziekgemeld. Cardia heeft werknemer niet meer toegelaten tot de werkzaamheden. Cardia betaalt werknemer sinds 1 juli 2008 geen salaris meer. Zij beschouwt de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2008 als beƫindigd. Werknemer vordert loon en stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als voortgezette overeenkomst in de zin van artikel 7:667 lid 4 BW (Ragetlie-regel) moet worden beschouwd waarvoor opzegging noodzakelijk is. De kantonrechter en het hof hebben de vordering van werknemer afgewezen, stellende dat geen sprake is van 'behoud van identiteit van de arbeidsovereenkomst'.

De advocaat-generaal concludeert als volgt. In casu is niet voldaan aan de eis dat de arbeidsovereenkomst dezelfde identiteit heeft behouden. De stelling van werknemer dat deze eis niet geldt indien de werkgever zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst heeft geschonden (geen tewerkstelling) faalt. Al aangenomen dat een werkgever in algemene zin (op grond van art. 7:611 BW) verplicht zou zijn de werknemer te werk te stellen (zie daarover Asser/Heerma van Voss 7-V* (2008), nr. 58, met rechtspraakgegevens), althans dat Cardia in dit geval in het licht van de aard van de met werknemer gesloten tijdelijke arbeidsovereenkomst, van de overeengekomen arbeid, alsmede van de bijzondere omstandigheden van dit concrete geval, verplicht was werknemer tot de bedongen werkzaamheden toe te laten, dan brengt de ratio van de uitzonderingsregel van art. 7:667 lid 4 BW niet mee dat aan de schending van deze verplichting als sanctie moet worden verbonden dat de voor bepaalde tijd tussen werknemer en Cardia gesloten arbeidsovereenkomst slechts beƫindigd kan worden door voorafgaande opzegging. De ratio van de uitzonderingsregel van het vierde lid van artikel 7:667 BW betreft immers niet het belang van de werknemer om door de werkgever in staat gesteld te worden de overeengekomen arbeid te verrichten, maar het belang van de werknemer bij ontslagbescherming. In dit belang wordt werknemer niet getroffen doordat Cardia als werkgeefster de beweerdelijk op haar rustende verplichting om werknemer toe te laten tot de bedongen werkzaamheden niet zou hebben nagekomen.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.