Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 13 juli 2011
ECLI:NL:RBSHE:2011:BR1652
X/Hendriks
X is werkzaam als zelfstandig stukadoor. Tijdens werkzaamheden op een bouwplaats is hij van vijftien meter hoogte door een steiger gezakt en drie meter lager op een balkon gevallen. Hij heeft daarbij letsel opgelopen. Hendriks is hoofdaannemer van het bouwproject. X is ingeschakeld door een onderaannemer. De Arbeidsinspectie heeft een verband kunnen vaststellen tussen overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 jo. artikel 13.6 Arbeidsomstandighedenbesluit en de oorzaak van het ongeval. X stelt Hendriks aansprakelijk voor de schade als gevolg van het ongeval op grond van artikel 7:658 lid 4 BW. Later in de procedure beroept X zich ook op de artikelen 6:173 en 6:174 BW, 6:170 en 6:171 BW, 6:76 BW, 7:406 lid 2 BW en 6:162 BW.
De rechtbank oordeelt als volgt. De jurisprudentie over de reikwijdte van artikel 7:658 lid 4 BW is niet eenduidig. Met name staat niet vast dat dit artikellid zo ruim moet worden uitgelegd, dat niet alleen werknemers maar ook zelfstandigen hieraan aanspraken kunnen ontlenen. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverwegingen 3.8 en verder van het arrest van het Hof Arnhem van 17 augustus 2010 (NJF 2010, 354). Daar komt bij dat evenmin vaststaat dat de zelfstandige die aanspraak dan zou kunnen inroepen jegens de hoofdaannemer, indien de werkzaamheden via verschillende onderaannemers aan hem zijn uitbesteed. De rechtbank verwijst hierbij naar de arresten van het Hof Amsterdam van 22 februari 2011 (LJN BP6622 en BP6637). De rechtbank ziet voor wat betreft de situatie waarin X werkzaam was geen aanleiding voor een zo ruime toepassing van artikel 7:658 lid 4 BW.
Ten aanzien van de artikelen 6:173 en 6:174 BW oordeelt de rechtbank dat de steiger dient te worden aangemerkt als roerende zaak. Partijen twisten over de vraag wie als bedrijfsmatig gebruiker van de steiger moet(en) worden aangemerkt. De rechtbank begrijpt dat Hendriks een beroep doet op het bepaalde in artikel 6:181 lid 2 BW. Hoewel de tekst van artikel 6:181 lid 2 BW daar de ruimte voor biedt, is de rechtbank van oordeel dat hier toch geen sprake is van een situatie als bedoeld in dat artikellid. Blijkens de wetsgeschiedenis is bij dit artikellid gedacht aan de situatie waarin een ondernemer een zaak gebruikt door haar tegen vergoeding (huur of leasing) ter beschikking te stellen voor gebruik in het bedrijf van een ander. Naar het oordeel van de rechtbank is de verantwoordelijkheid voor de steiger steeds bij Hendriks blijven liggen en is de aansprakelijkheid voor de steiger niet ingevolge artikel 6:181 lid 2 BW overgegaan op X en de anderen die de steiger voor kortere of langere tijd – deels gelijktijdig – hebben gebruikt. Zo'n overgang van aansprakelijkheid naar de vele gebruikers van de steiger zou ook in strijd zijn met de bedoeling van de wetgever. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de bedoeling van de wetgever met artikel 6:181 BW is geweest om te komen tot concentratie van aansprakelijkheid bij één partij. Hendriks is als bedrijfsmatig gebruiker van de steiger aansprakelijk voor de schade die X door dit ongeval lijdt. Het beroep op de zogenaamde 'tenzij-clausule' in het laatste zinsdeel van artikel 6:173 lid 1 BW slaagt niet. Door Hendriks is in dit verband onvoldoende gesteld. Hendriks heeft haar stelling dat en waarom sprake is geweest van eigen schuld aan de zijde van X onvoldoende onderbouwd. De zaak wordt aangehouden. X krijgt de gelegenheid de schade nader te onderbouwen. Hendriks baseert zijn vordering in vrijwaring op de stelling dat de onderaannemers aansprakelijk zijn voor de schade van X op de grondslagen die X ook jegens haar heeft ingeroepen. Deze vordering wordt afgewezen.