Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag, 16 november 2010
ECLI:NL:GHSGR:2010:BR1573
Onderlinge Levensverzekering-Maatschappij/Nationale Nederlanden
Op 12 januari 1999 is werknemer van de Onderlinge een verkeersongeval overkomen, terwijl hij in zijn eigen auto reed. Werknemer heeft door dit ongeval ernstig letsel opgelopen. Hij had geen schadeverzekering inzittenden (SVI) en heeft ook geen andere verkeersdeelnemers aansprakelijk kunnen stellen voor de gevolgen van het ongeval. Ten tijde van het ongeval was de Onderlinge bij Nationale-Nederlanden verzekerd op grond van een 'Aansprakelijkheidsverzekering voor administratieve bedrijven, detailhandel, horeca, ambachten, e.d.' (hierna ook: de AVB). Deze verzekering geeft, binnen de grenzen van de polisvoorwaarden, dekking tegen aansprakelijkheid voor schade aan personen en schade aan zaken. De Onderlinge is in eerste aanleg op grond van artikel 7:658 BW veroordeeld tot schadevergoeding. In hoger beroep heeft het hof de aansprakelijkheid gegrond op artikel 7:611 BW. Thans vordert de Onderlinge een verklaring voor recht dat Nationale-Nederlanden gehouden is tot nakoming van haar verplichtingen uit de AVB-polis, met veroordeling van Nationale-Nederlanden in de kosten van het geding. De Onderlinge legt aan deze vordering, kort samengevat, primair de stelling ten grondslag dat de AVB-polis in kwestie dekking biedt voor de schade die zij aan haar werknemer moet vergoeden. De rechtbank heeft de vorderingen van de Onderlinge afgewezen (zie AR 2009-199).
Het hof oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de dekking onder de AVB-polis is beperkt tot personen- en zaakschade. De vraag die derhalve beantwoord moet worden, is of de schade waarvoor de Onderlinge aansprakelijk is geoordeeld ongevals- en dus personenschade is, of (niet onder de AVB gedekte) zuivere vermogensschade. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De rechtbank heeft de Onderlinge aansprakelijk geacht op grond van artikel 7:658 BW en in het dictum voor recht verklaard dat de Onderlinge aansprakelijk is voor de door werknemer geleden en nog te lijden schade voortvloeiende uit het ongeval van 12 januari 1999. Het hof daarentegen heeft uitdrukkelijk beslist dat artikel 7:658 BW toepassing mist, en dat de Onderlinge aansprakelijk is op grond van artikel 7:611 BW voor de door werknemer geleden schade als gevolg van het ontbreken van een adequate voorziening. Het hof is dan ook van oordeel dat de Onderlinge ex artikel 7:611 BW niet aansprakelijk is geoordeeld voor de letselschade van werknemer, maar voor – kort gezegd – het missen van een verzekeringsuitkering en dus zuivere vermogensschade. Het hof overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat volgens de AVB-polis alleen personen- en zaakschade wordt gedekt. Het hof is van oordeel dat een redelijke uitleg van de AVB-polis op basis van het Haviltex-criterium meebrengt dat slechts aansprakelijkheid voor letsel-/zaakschade is gedekt die het gevolg is van de aansprakelijkheid scheppende gedraging of nalatigheid van de werkgever. Bij de letselschade van werknemer is dat niet het geval. De letselschade van werknemer is niet veroorzaakt door de aansprakelijkheid scheppende nalatigheid van de Onderlinge om een verzekering ten behoeve van werknemer af te sluiten (althans werknemer erop te wijzen dat hij zelf een voorziening moest treffen), zodat de Onderlinge er in de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet op heeft mogen vertrouwen dat dekking onder de AVB-polis bestond voor een aansprakelijkheid als de onderhavige. Volgt bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank.