Rechtspraak
werknemer/curator
Werknemer is sinds 1995 in dienst van Bremtex. De omzetting van de arbeidsovereenkomst naar onbepaalde tijd is in 1996 schriftelijk bevestigd, waarbij Bremtex werknemer bericht dat de arbeidsovereenkomst voor het overige onverminderd van kracht blijft. In de eerdere arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was een concurrentiebeding overeengekomen. Op 31 mei 2011 is Bremtex failliet verklaard. Werknemer stelt dat de curator geen rechten meer aan het concurrentiebeding kan ontlenen, omdat het standpunt van de curator in strijd is met de Hydraudyne-leer. Verder stelt werknemer onder meer dat de curator aan het concurrentiebeding geen rechten kan ontlenen, omdat er sprake is van schadeplichtig ontslag.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Eerst dient beoordeeld te worden of er tussen partijen nog een concurrentiebeding van kracht is. Dit is niet het geval. De kantonrechter verwijst naar Philips/Oostendorp (HR 28 maart 2008, NJ 2008/503) en oordeelt dat wat betreft het schriftelijkheidsvereiste een strikte interpretatie dient te worden gevolgd. Een concurrentiebeding belemmert de werknemer in zeer grote mate in zijn vrije arbeidskeuze, zodat niet lichtvaardig mag worden aangenomen dat aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan. Van een werkgever als direct belanghebbende bij het beding, mag worden verwacht dat hij zich op de momenten waarop zulks aan de orde kan komen, aan alle voorwaarden voor de geldigheid van een dergelijk beding houdt. Dit betekent dat wanneer een nieuwe (opvolgende) arbeidsovereenkomst wordt aangegaan en de werkgever daarbij opnieuw een concurrentiebeding van kracht wil laten zijn, opnieuw aan het schriftelijkheidsvereiste voldaan moet zijn. Wordt niet voldaan aan dit vereiste dan dient de consequentie, namelijk dat geen concurrentiebeding van kracht is, voor rekening van de werkgever te blijven. In het onderhavige geval is de opvolgende arbeidsovereenkomst een nieuwe arbeidsovereenkomst en had opnieuw voldaan moeten worden aan het schriftelijkheidsvereiste, hetgeen niet is gebeurd. Bij de verlenging is niet uitdrukkelijk naar het concurrentiebeding verwezen, de tekst van het beding is niet aan de brief gehecht en evenmin is de tekst in de brief opgenomen. Ook heeft werknemer de brief niet voor akkoord is ondertekend. De conclusie luidt dat er tussen partijen geen concurrentiebeding meer van kracht is en iedere grond voor toewijzing van de vorderingen ontbreekt. Volgt afwijzing van de vorderingen.