Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Pantera
Rechtbank Noord-Nederland, 19 augustus 2011
ECLI:NL:RBLEE:2011:BR5391

Stichting Pantera

Afwijzing verzoek tot ontslag bestuurders stichting wegens financieel wanbeheer

Vervolg tussenbeschikking. Ter beoordeling ligt de vraag voor of B c.s. ontslagen moet worden als bestuurder van Pantera omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan evident, uitgesproken falend beleid ten aanzien van het beheer van het vermogen en de zorg voor de geldmiddelen van Pantera. In de tussenbeschikking is overwogen dat voor het antwoord op deze vraag van belang is of B ten tijde van het doen van privé-uitgaven met gelden van Pantera in de periode 1 januari 2010-12 augustus 2010 een (tegen)vordering op Pantera had die het bedrag van deze privé-uitgaven overschreed. De rechtbank heeft B c.s. opgedragen om zich bij akte daarover nader uit te laten. B c.s. is voorts opgedragen om een verklaring te geven voor het feit dat in de jaarrekeningen van 2008 en 2009 enkel een vordering van de toenmalige echtgenote van B is opgenomen, terwijl volgens B c.s. sprake is van een vordering van zowel B als zijn toenmalige echtgenote op Pantera.

Op grond van de aanvullende producties (onder andere een accountantsverklaring en bewijsstukken van een schenking door de moeder van B) die door B c.s. in het geding zijn gebracht, oordeelt de rechtbank dat B in 2010 in ieder geval een vordering van ruim € 3.600 op Pantera had, terwijl de privé-uitgaven die B in 2010 met gelden van Pantera heeft verricht op circa € 400 na zijn gecompenseerd door stortingen en betalingen door B ten behoeve van Pantera. Hieruit volgt dat B een vordering op Pantera heeft die hoger is dan het bedrag dat was gemoeid met het doen van privé-uitgaven met gelden van Pantera in 2010. Van evident, falend beleid ten aanzien van het beheer van het vermogen en de zorg voor de geldmiddelen van Pantera dan wel handelen of nalaten in strijd met de wet of de statuten door B zelf is dan ook geen sprake. De rechtbank tekent hierbij wel aan dat kan worden toegegeven dat in 2010 bij Pantera een behoorlijke vermenging van privé en zakelijk heeft plaatsgevonden, in die zin dat B enerzijds privé-uitgaven verricht vanaf de bankrekening van Pantera en anderzijds zakelijke kosten zelf voor zijn rekening neemt. De vraag kan worden gesteld in hoeverre dit een wenselijke situatie is. Uit het vorenstaande volgt evenwel dat dit handelen geen grond voor ontslag oplevert omdat in dit geding is komen vast te staan dat het niet tot onregelmatigheden heeft geleid. Het verzoek om B. c.s. als bestuurders van Pantera te ontslaan wordt afgewezen.