Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werkneemster
Hoge Raad, 16 september 2011
ECLI:NL:HR:2011:BQ8100

werkgeefster/werkneemster

Matiging loonvordering en wettelijke verhoging na ontslag op staande voet. Artikel 81 Wet RO

Werkneemster is op 16 december 2001 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van juridisch medewerker tegen een salaris van laatstelijk € 1.544,49 netto, exclusief 8% vakantietoeslag. Feitelijk bekleedt zij de functie van chef de bureau. Werkgeefster heeft werkneemster op 27 september 2006 wegens werkweigering op staande voet ontslagen na een incident tussen de directeur en werkneemster, waarbij het ging om een meningsverschil over aan werkneemster opgedragen werkzaamheden, te weten het maken van een afspraak bij een kapper te Nieuwegein. Vervolgens heeft werkgeefster werkneemster opgeroepen haar werkzaamheden te hervatten op 2 oktober. Werkneemster heeft zich ziek gemeld. Werkgeefster heeft haar opnieuw op staande voet ontslagen. Bij brief van 4 oktober heeft werkgeefster werkneemster uitgenodigd voor een gesprek onder aanzegging van (opnieuw) een ontslag op staande voet indien werkneemster niet zal verschijnen en voortzetting van een voorwaardelijke ontbindingsprocedure. Deze procedure heeft werkgeefster daags voor de mondelinge behandeling in november 2006 ingetrokken. De gemachtigde van werkneemster heeft vervolgens aangespoord op een gesprek tussen partijen. Werkgeefster heeft evenwel een gesprek onder aanwezigheid van een derde geweigerd. Op 18 februari 2008 is de arbeidsovereenkomst ontbonden. Werkneemster heeft vervolgens over de periode november 2006 tot datum ontbinding loon gevorderd. De kantonrechter heeft de vordering niet toegewezen over de periode 1 januari 2007 tot 20 juli 2007. Onverminderde toewijzing zou volgens de kantonrechter in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen leiden, omdat deze periode van radiostilte waarin werkneemster wel een procedure startte maar onjuist adresseerde in redelijkheid niet aan werkgeefster kan worden tegengeworpen en dat het daarnaast op de weg van werkneemster had gelegen om desnoods tijdelijk vervangend inkomen te verwerven. Het hof heeft dit vonnis vernietigd. Tegen dat oordeel keert werkgeefster zich in cassatie, onder meer stellende dat volledige toekenning van de loonvordering in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Daarnaast dient volgens werkgeefster de hoogte van de toegekende ontbindingsvergoeding te leiden tot matiging van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.