Naar boven ↑

Rechtspraak

Krediethuis B.V./werknemer
Rechtbank Noord-Holland, 22 september 2011
ECLI:NL:RBALK:2011:BT7138

Krediethuis B.V./werknemer

Ontbinding arbeidsovereenkomst. Wissen gegevens laptop geen dringende reden. Vergoeding ten aanzien van concurrentiebeding wordt niet meegenomen in ontbindingsvergoeding, omdat de geldigheid van het concurrentiebeding ter discussie staat

Werknemer, in dienst van Krediethuis, is op 14 juni 2011 op non-actief gesteld. Thans verzoekt Krediethuis ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Krediethuis legt daaraan ten grondslag dat werknemer een derde toegang heeft verschaft tot een aan Krediethuis behorende laptop en die derde inzicht heeft gehad in gegevens die vallen onder de geheimhoudingsverplichting van werknemer. Bovendien zijn alle bestanden van die laptop gewist, waardoor waardevolle informatie verloren is gegaan.

De kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van een dringende reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Werknemer heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een deugdelijke reden had om de gegevens van de door Krediethuis ter beschikking gestelde laptop te verwijderen. Op de laptop, die werknemer ook privé gebruikte, stonden privégegevens van werknemer. Nadat werknemer op non-actief is gesteld, heeft hij alle bestanden en gegevens van de laptop gewist, zodat daarop geen privégegevens meer stonden. Een dergelijke actie valt te begrijpen en levert geen strijd op met enige verplichting uit de arbeidsovereenkomst, ook niet met de verplichting van werknemer om zich als goed werknemer te gedragen als bedoeld in artikel 7:611 BW. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat alle zakelijke gegevens van de laptop ook steeds werden opgeslagen op de server van Krediethuis.

Wel is sprake van een verstoorde arbeidsrelatie, zodat de arbeidsovereenkomst ontbonden zal worden. Ten aanzien van de vergoeding wordt het volgende overwogen. Het door Krediethuis gestelde disfunctioneren is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Omdat werknemer geen verwijt treft van de verstoorde arbeidsrelatie, is in beginsel een correctiefactor C=2 gerechtvaardigd. De kantonrechter ziet echter reden voor matiging van de vergoeding, op grond van een mondelinge afspraak. Als tegenprestatie voor het vervroegd aflossen van een lening aan een vennootschap van werknemer, is afgesproken dat werknemer zich welwillend zal opstellen bij beëindiging van het dienstverband. De C-factor wordt daarom vastgesteld op C=1,5. Werknemer heeft verzocht ook een vergoeding op basis van artikel 7:653 lid 4 BW toe te kennen. De kantonrechter overweegt dat de vergoeding van artikel 7:653 lid 4 BW moet worden gevorderd in een dagvaardingsprocedure en dat deze verzoekschriftprocedure daarvoor niet is bedoeld. Het ligt niet in de rede om ten gunste van de werknemer bij vaststelling van de ontbindingsvergoeding rekening te houden met de omstandigheid dat de werknemer gebonden is aan een concurrentie- en relatiebeding, daar waar die werknemer zelf stelt dat deze bedingen niet gelden en in rechte daarover (nog) niets is vastgesteld. Dat betekent dat de kantonrechter deze omstandigheid buiten beschouwing laat bij de vaststelling van de vergoeding.