Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Cofely Nederland BV
Rechtbank Midden-Nederland, 12 oktober 2011
ECLI:NL:RBUTR:2011:BU3789

werknemer/Cofely Nederland BV

Cao-bepaling op grond waarvan werknemer verplicht wordt bij het einde van zijn dienstverband zijn totale vakantietegoed op te nemen, is niet rechtsgeldig

Werknemer is in dienst van Cofely. Cofely is met FNV Bondgenoten, CNV Vakmensen en De Unie een sociaal plan overeengekomen. Het sociaal plan is aangemeld als cao. In het sociaal plan is bepaald dat als de beëindigingsovereenkomst niet voor 1 juli 2010 ondertekend is geretourneerd, op 2 juli 2010 een ontbindingsverzoek zal worden ingediend. Verder bepaalt het sociaal plan: 'Over de periode na 1 juli tot het einde van de arbeidsovereenkomst worden alle in die periode opgebouwde verlofrechten als zijnde opgenomen beschouwd. Tevens zal de periode van 1 juli tot het einde van de arbeidsovereenkomst ten laste komen van het verlofsaldo (vakantie-uren, ADV-uren, tijd voor tijd uren en senioren-uren).' De arbeidsovereenkomst met werknemer is per 1 oktober 2010 wegens bedrijfseconomische redenen ontbonden. Werknemer stelt dat de afwijking van artikel 7:638 BW en 7:641 BW in het sociaal plan nietig is en vordert uitbetaling van vakantiedagen.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Van belang is dat in artikel 7:645 BW bepaald is dat van de wetsartikelen artikel 7:634 tot en met 7:643 BW niet ten nadele van de werknemer mag worden afgeweken. Deze verplichting geldt ook voor de cao-partijen. Een verplichte opname van vakantiedagen is in strijd met het door de wetgever gehanteerde uitgangspunt dat de werkgever de vakantie vaststelt overeenkomstig de wensen van de werknemer. Hierin past niet een recht voor de werkgever om eenzijdig een vakantie op te leggen, ook niet aan het einde van de arbeidsovereenkomst (Kamerstukken II 1997/98, 26 079, nr. 3, p. 4, 6-7 (MvT); Kamerstukken I 1999/2000, 26 079, nr. 176, p. 11 (MvA)). In artikel 7:638 lid 2 BW is bepaald dat bij cao een nadere regeling met betrekking tot het opnemen van vakantiedagen getroffen kan worden. Deze bevoegdheid van de cao-partijen gaat echter niet zo ver dat een (vakantiedagen)regeling kan worden opgesteld die in strijd is met de doelstelling en de uitgangspunten van de (wettelijke) vakantieregeling.

Een verplichting tot het opnemen van het totale vakantiedagentegoed in verband met een bedrijfssluiting is in strijd met de bedoeling van de wetgever. De mogelijkheid om verplicht vakantiedagen op te nemen, voor zover het bedrijfsbelang dit vereist, ziet blijkens de parlementaire geschiedenis primair op een tijdelijke of seizoensgebonden sluiting van de onderneming (Kamerstukken I 1999/2000, 26 079, nr. 176, p. 11). Cao-partijen kunnen in hun regeling niet verder gaan dan een verplichte opname van vakantiedagen voor een bepaalde, tijdelijke periode in verband met organisatorische redenen. Het sluiten van een onderneming valt hier nadrukkelijk niet onder. In dit verband verwijst de kantonrechter ook naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad waarin is uitgemaakt dat een vrijstelling van werkzaamheden wegens bedrijfseconomische omstandigheden voor rekening en risico van de werkgever dient te komen. Daarnaast is in artikel 7:641 lid 1 BW uitgemaakt dat een werknemer die bij het einde van zijn dienstverband nog aanspraak heeft op vakantie zonder voorbehoud of uitzondering, en onafhankelijk van de wijze waarop het dienstverband beëindigd is, recht heeft op een vergoeding voor opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen. Het samenstel van voornoemde bepalingen, die voor zover hier van belang blijkens artikel 7:645 BW van dwingend recht zijn, brengt mee dat werknemer niet gedwongen kan worden, ook niet bij cao, om vanaf 1 juli 2010 het restant aan vakantiedagen op te nemen. De vordering tot uitbetaling van de vakantiedagen wordt toegewezen.