Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werknemer
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 20 september 2011
ECLI:NL:GHAMS:2011:BU6402

werkgever/werknemer

Afwijzen van getuigenbewijs en deskundigenonderzoek in een ontbindingsprocedure, leidt niet tot doorbreking appelverbod wegens schending fundamenteel rechtsbeginsel

Op 11 juni 2010 heeft werkgever een voorwaardelijk verzoek strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. Bij beschikking van 13 juli 2010 is de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk ontbonden en aan werknemer een vergoeding van € 28.000 bruto toegekend. Op 30 juli 2010 heeft werkgever het verzoekschrift bij de kantonrechter ingetrokken. Op 17 augustus 2010 heeft werknemer de rechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en hem te ontbinden, voor zover deze nog mocht bestaan, met ingang van 1 oktober 2010 onder toekenning van een vergoeding. Werkgever heeft hiertegen verweer gevoerd en een zelfstandig verzoek tot ontbinding zonder toekenning van een vergoeding ingediend. Daarnaast heeft werkgever de kantonrechter verzocht een voorlopig getuigenverhoor te houden en een deskundigenonderzoek te gelasten. De kantonrechter heeft bij de beschikking de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en werkgever voorwaardelijk ontbonden met ingang van 1 november 2010 en daarbij aan werknemer een vergoeding van € 28.000 bruto toegekend. De kantonrechter heeft de verzoeken van werkgever tot getuigenbewijs en deskundigenonderzoek afgewezen en daarbij overwogen dat ontbindingsprocedures blijkens artikel 284 Rv naar hun aard spoedeisend zijn en zich derhalve verzetten tegen getuigenbewijs en deskundigenonderzoek. Tegen dit oordeel keert werkgever zich in hoger beroep. Hij heeft aangevoerd dat de wetgever in artikel 284 Rv heeft bedoeld een onderscheid te maken tussen spoedeisende en niet-spoedeisende ontbindingsprocedures, waarbij ten aanzien van niet-spoedeisende ontbindingsprocedures geldt dat de wettelijke bewijsregels van overeenkomstige toepassing zijn en alleen ten aanzien van spoedeisende ontbindingsprocedures geldt dat de rechter beslist zonder aan de wettelijke bewijsregels te zijn gebonden. Volgens werkgever was de hier in het geschil zijnde ontbindingsprocedure niet spoedeisend omdat hij al bij het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de sector kanton van 13 juli 2010 was veroordeeld tot doorbetaling van het loon van werknemer, waardoor werknemer geen zelfstandig (spoedeisend) belang meer had bij de ontbinding. Derhalve had de kantonrechter het verzoek tot getuigenverhoor moeten toewijzen. Door dit niet te doen is werkgever in zijn bewijspositie geschaad en heeft de kantonrechter het beginsel van equality of arms geschonden.

Het hof oordeelt als volgt. De strekking van de ontbindingsprocedure is erop gericht in het belang van partijen te komen tot een eenvoudig en voortvarend procesverloop, waarbij zo spoedig mogelijk een definitieve beslissing omtrent het voortduren van de dienstbetrekking kan worden verkregen. Ontbindingsprocedures als deze zijn naar hun aard spoedeisend, waarbij de rechter niet aan de wettelijke bewijsregels is gebonden en in beginsel zonder het houden van getuigenverhoren op een verzoek kan beslissen. Door geen getuigen te horen of deskundigenbericht te gelasten heeft de kantonrechter geen fundamenteel rechtsbeginsel geschonden. Nu werkgever niet alleen verweer heeft gevoerd op het verzoekschrift van werknemer, maar ook nog eens een zelfstandig tegenverzoek heeft gedaan en ter zitting is gehoord en bijgestaan door gemachtigde(n), kan niet geoordeeld worden dat sprake is van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel.