Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland, 28 september 2011
ECLI:NL:RBUTR:2011:BU7213
werkneemster/Stichting Jenaplanonderwijs De Regenboog
Werkneemster is vanaf 1 mei 2007 aangesteld als directrice van (de rechtsvoorgangster van) De Regenboog, een basisschool. Op 29 juni 2011 is werkneemster geschorst, omdat zij weigert informatie te verstrekken over onregelmatigheden ter zake van betalingen aan onder andere de Belastingdienst. De Regenboog heeft werkneemster, nadat nieuwe informatie is ontvangen waaruit blijkt dat de schuldenlast van de school dusdanig is dat betalingsonmacht een feit lijkt, uitgenodigd voor een gesprek met de Raad van Toezicht. Nadat het gesprek op verzoek van werkneemster is uitgesteld tot 13 juli 2011 en werkneemster niet op het gesprek verschijnt, is ze op staande voet ontslagen wegens het verstrekken van onjuiste informatie aan de raad van toezicht en het grovelijk schenden van haar verplichtingen en verantwoordelijkheden als directrice. Werkneemster beroept zich op de vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet en vordert loon. In reconventie vordert De Regenboog betaling van € 22.000. Dit bedrag heeft werkneemster aan zichzelf vanaf de bankrekening van De Regenboog voor privédoeleinden doen toekomen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op grond van de door De Regenboog overgelegde stukken is niet aannemelijk dat de betalingsachterstand bij de Belastingdienst, zoals werkneemster stelt, slechts enkele maanden betreft. Voorts is aannemelijk dat werkneemster aan de raad van toezicht stukken heeft doen toekomen die niet overeenkomen met de werkelijkheid. De stelling van werkneemster dat haar met betrekking tot de financiële situatie van De Regenboog niets valt te verwijten en dat de raad van toezicht is tekortgeschoten in haar taakuitoefening wordt verworpen. Als directrice is werkneemster verantwoordelijk voor de nakoming van de betalingsverplichting van De Regenboog. Er zijn voldoende gronden aanwezig die een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Dat De Regenboog bij de schorsing van werkneemster mogelijk een procedurefout heeft gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel. De vordering in reconventie wordt tot een bedrag van in totaal € 1649,79 toegewezen. Ten aanzien van het gestelde over de onrechtmatige uitbreiding van de werktijdfactor dient nader feitenonderzoek plaats te vinden, waarvoor in kort geding geen plaats is.