Rechtspraak
Kumoweld BV/X
X is, nadat zijn eigen onderneming op het terrein van veiligheidskleding ten onder was gegaan, bij Kumoweld in dienst getreden krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Deze arbeidsovereenkomst is per 1 oktober 2002 in onderling overleg beëindigd. X en Kumoweld zijn met ingang van die datum een overeenkomst aangegaan, waarbij X zich verbond om tegen betaling van een provisie als 'freelance vertegenwoordiger in bedrijfskleding, werkkleding, P.B.M.-artikelen en lasbenodigdheden' werkzaamheden voor Kumoweld te verrichten. Vanaf september 2008 heeft X geen omzetcijfers meer van Kumoweld ontvangen. Op 30 januari 2009 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen X en bestuurder 1. Tijdens dit gesprek heeft bestuurder 1 te kennen gegeven dat X disfunctioneert. Op zijn beurt heeft X zijn ongenoegen over Kumoweld uitgesproken. Daarbij is bestuurder 1 voor 'oplichter' en 'hond' uitgemaakt.
Het hof oordeelt als volgt. Aan de orde is de beëindiging van een agentuurovereenkomst. Vast staat dat de tussen partijen bestaand hebbende agentuurovereenkomst niet regelmatig, met inachtneming van de ingevolge de wet geldende opzegtermijn van zes maanden (artikel 7:437 lid 1 BW). Volgens Kumoweld is sprake van een beëindiging op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 7:439 lid 2 BW. Volgens X heeft hij de bestuurder inderdaad beledigd, maar is het merendeel van de verwijten uit de formele opzeggingsbrief van 17 februari 2009 onjuist. Dat in de brief van 17 februari 2009 nog meer redenen voor het ontslag zijn genoemd, doet naar 's hofs oordeel aan de rechtsgeldigheid van de beëindiging met onmiddellijke ingang niet af, nu ter zake een parallel getrokken kan worden met de rechtspraak over ontslag op staande voet en aan de eisen, voortvloeiende uit HR 1 september 2006, LJN AX9387, is voldaan aangezien de beledigende kwalificaties op zichzelf beschouwd kunnen gelden als een dringende reden voor onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst. Uit de brief van Kumoweld van 30 januari 2009 blijkt dat uitsluitend díe kwalificaties voor Kumoweld al reden waren voor onmiddellijke beëindiging en zulks is X bij laatstgenoemde brief ook duidelijk gemaakt ('de bekende druppel'). Wel is het hof van oordeel dat de beëindiging niet onverwijld heeft plaatsgevonden, zodat de overeenkomst onregelmatig is beëindigd, zodat Kumoweld op grond van artikel 7:439 BW schadeplichtig is. Daartegenover staat dat X reeds vanaf het moment van ontvangst van de brief van 30 januari 2009 wist dat Kumoweld wegens de gedane uitlatingen op een beëindiging van de agentuurovereenkomst afkoerste. In dit licht is het hof van oordeel dat de gebreken die aan de brief van 17 februari 2009 kleven (ten onrechte terugvallen op de ontslagname door X, het tijdsverloop sedert 13 februari 2009) slechts een relatief beperkte vergoeding rechtvaardigen. Ook gelet op het expliciete beroep zijdens Kumoweld op artikel 7:441 lid 2 BW, zal het hof deze vergoeding vaststellen op € 2.000.