Rechtspraak
Salemink/UWVHof van Justitie van de Europese Unie, 17 januari 2012
Salemink/UWV
Salemink, die de Nederlandse nationaliteit heeft, was vanaf 1996 werkzaam als verpleegkundige, en deels als radiografist, op een gasboorplatform van de Nederlandse Aardolie Maatschappij. Het betrokken platform is gelegen buiten de Nederlandse territoriale wateren, binnen het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat, op een afstand van ongeveer 80 km van de Nederlandse kust. In 2004 is Salemink naar Spanje verhuisd. Hij voldeed niet langer aan het woonplaatsvereiste in de zin van de Ziektewet (ZW) en heeft zich niet (althans te laat) vrijwillig verzekerd. In 2008 vraagt Salemink een WIA-uitkering aan. Deze wordt hem geweigerd. Salemink stelt dat hij op grond van verordening nr. 1408/71 in aanmerking dient te komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Volgens hem is die verordening van toepassing binnen het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat, welk gedeelte moet worden aangemerkt als deel uitmakend van het Nederlandse grondgebied. De verwijzende rechter betwijfelt of de toepasselijkheid van verordening nr. 1408/71 kan worden uitgebreid tot het betrokken continentaal plat. Hij vraagt zich af of er onderscheid moet worden gemaakt tussen, enerzijds, het grondgebied waarop een lidstaat soeverein is, en, anderzijds, het grondgebied waarop hij bevoegd is beperkte soevereine rechten uit te oefenen maar tevens bevoegd is die rechten niet uit te oefenen – zoals volgens de verwijzende rechter de Nederlandse Staat dat met betrekking tot de socialezekerheidswetgeving op het continentaal plat heeft gedaan. Bijgevolg rijst de vraag of een lidstaat gerechtigd is om, binnen de grenzen van de functionele bevoegdheid die hij op het continentaal plat uitoefent, de op dat continentaal plat werkzame werknemers anders te behandelen dan werknemers die werkzaam zijn op het grondgebied van die lidstaat. De verwijzende rechter erkent dat de weigering door het UWV onverenigbaar kan zijn met het beginsel van vrij verkeer van werknemers, gelet op het feit dat aan Salemink een voordeel dat hij genoot toen hij in Nederland woonde, is komen te ontvallen. Niettemin vraagt hij zich af of deze onverenigbaarheid mogelijkerwijs wordt afgezwakt door het feit dat Salemink in de gelegenheid is geweest om zich vrijwillig te verzekeren, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt. Ten slotte wijst de verwijzende rechter erop dat het woonplaatsvereiste zoals dat wordt gesteld in artikel 3, lid 2, ZW een problematisch criterium is omdat het kan leiden tot discriminatie op grond van nationaliteit.
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Aangezien het tot een lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat onder de, zij het functionele en beperkte, soevereiniteit van die staat valt, moet arbeid die een werknemer op vaste of drijvende installaties die zich op het continentaal plat bevinden, in het kader van de exploratie en/of exploitatie van natuurlijke rijkdommen verricht, voor de toepassing van het Unierecht worden aangemerkt als arbeid verricht op het grondgebied van die staat. Hoewel het Hof in het arrest Van Pommeren-Bourgondiën niet heeft uitgesloten dat het woonplaatsvereiste dat wordt gesteld om verplicht verzekerd te blijven voor bepaalde takken van sociale zekerheid, verenigbaar zou kunnen zijn met artikel 39 EG, kan de mogelijkheid voor Salemink om zich vrijwillig te verzekeren niet afdoen aan de vaststelling dat dit niet-ingezeten werknemers in een minder gunstige positie plaats en derhalve in strijd is met het beginsel van vrij verkeer van werknemers. De stappen die niet-ingezeten werknemers die zich vrijwillig wensen te verzekeren, op eigen initiatief moeten ondernemen, alsmede de aan een dergelijke verzekering verbonden verplichtingen, zoals de inachtneming van termijnen voor het indienen van een verzekeringsaanvraag, vormen immers elementen die niet-ingezeten werknemers – die enkel de mogelijkheid hebben om zich vrijwillig te verzekeren – in een minder gunstige positie plaatsen dan ingezetenen, die onder de verplichte verzekering vallen. Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 en artikel 39 EG in die zin moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een werknemer die werkzaam is op een vaste installatie op het tot een lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat, in die lidstaat niet verplicht verzekerd is ingevolge de nationale wettelijke werknemersverzekeringen, uitsluitend omdat hij niet woonachtig is in die lidstaat, maar in een andere lidstaat.