Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag, 17 januari 2012
ECLI:NL:GHSGR:2012:BV1480
werkneemster/Oceanwide Marine Services BV
Werkneemster (41 jaar) is vanaf 1 mei 2002 in dienst van OMS in de functie van operational manager. Op 27 september 2010 meldt werkneemster zich ziek, nadat haar direct leidinggevende tegen haar is uitgevallen hetgeen werkneemster als een dreigement/laatste waarschuwing heeft ervaren. Op die gronden heeft werkneemster zich ook ziekgemeld (voorlopige ziekmelding wegens een dreigende verstoorde arbeidsrelatie). De huisarts stelt op 28 september 2010 de diagnose 'burn out' vast. Op 29 september bericht haar leidinggevende dat ze zijn woorden verkeerd heeft geïnterpreteerd. Werkneemster verschijnt niet terug op het werk. Op 18 oktober 2010 stelt de bedrijfsarts vast dat werkneemster arbeidsongeschikt is en adviseert een time-out van twee weken. OMS volgt dit advies niet op omdat zij twijfelt aan de gegrondheid van werkneemsters 'ziekteverlof' en omdat de bedrijfsarts in strijd heeft gehandeld met de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten. OMS heeft vanaf 1 november 2010 geen loon meer aan werkneemster betaald. Werkneemster is niet verschenen bij de verzekeringsarts op 3 december. Volgens deze verzekeringsarts is werkneemster op genoemde datum nog steeds arbeidsongeschikt wegens een ernstige burn-out, doch wel in staat enkele uurtjes passend arbeid te verrichten. De kantonrechter heeft de loonvordering van werkneemster toegewezen tot 3 december 2010, omdat werkneemster haar re-integratie heeft belemmerd door geen enkel contact meer te willen onderhouden met de werkgever en niet te verschijnen bij de verzekeringsarts.
Het hof oordeelt als volgt. OMS heeft steeds de arbeidsongeschiktheid van werkneemster in twijfel getrokken. Duidelijk is in elk geval dat OMS in de periode voorafgaand aan 1 november 2010, de datum waarop OMS de loonbetaling heeft gestaakt, ten onrechte de arbeidsongeschiktheid van werkneemster in twijfel heeft getrokken. Nog bij e-mail van 25 november 2010 nodigde OMS werkneemster uit voor een bezoek aan een verzekeringsarts teneinde te laten beoordelen of zij al dan niet arbeidsongeschikt was. Aldus heeft OMS de arbeidsrelatie onnodig onder druk gezet. Voorts is niet gesteld en evenmin gebleken dat OMS het re-integratieadvies van de bedrijfsarts, zoals door deze verwoord in haar brief van 8 november 2010 ter harte heeft genomen. Uit het voorgaande volgt dat de (herhaalde) uitnodigingen van OMS aan het adres van werkneemster om te komen tot een gesprek naar het voorlopig oordeel van het hof niet kunnen worden aangemerkt als te zijn gericht op de re-integratie van werkneemster. Werkneemster behoefde in de zojuist geschetste omstandigheden niet het gesprek met OMS aan te gaan. Evenmin kon onder die omstandigheden van haar worden verlangd dat zij zich meldde bij de door haar leidinggevende ingeschakelde verzekeringsarts. Van het onvoldoende meewerken door werkneemster aan haar re-integratie is naar het voorlopig oordeel van het hof dan ook geen sprake.