Rechtspraak
werknemer/werkgeefster
Werknemer is sinds 2002 werkzaam als uitvoerder. Op 22 december 2006 is hem op de bouwplaats een ongeval overkomen. Er is een auto tegen een hek gereden, waarna werknemer onder het hek is gekomen en is meegesleurd. Werknemer heeft als gevolg van het ongeval zijn knie en heup gebroken en is arbeidsongeschikt geraakt. De Arbeidsinspectie heeft een onderzoek ingesteld. Geconcludeerd wordt dat er geen eensluidende getuigenverklaringen zijn over het ongeval. Er is geen boete opgelegd aan werkgeefster. Nadat blijkt dat re-integratie in het tweede spoor niet mogelijk is, heeft werkgeefster de arbeidsovereenkomst opgezegd. Thans stelt werknemer werkgeefster aansprakelijk voor het ongeval en vordert hij schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Vast staat dat door werknemer schade is geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 7:658 lid 2 BW. Ten aanzien van de schending van de zorgplicht heeft werknemer aangevoerd dat werkgeefster afzonderlijke instructies voor het verplaatsen van de hekwerken had moeten geven. Echter, de stelling van werknemer dat het in de bouw goed gebruik is om de hekwerken met twee personen te verplaatsen impliceert dat werknemer van een dergelijke instructie al op de hoogte was zodat niet valt in te zien op welke wijze het verstrekken van een gelijkluidende instructie door werkgeefster had kunnen voorkomen dat werknemer schade zou lijden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Gelet hierop kan niet geconcludeerd worden dat werkgeefster op dit punt haar zorgplicht niet is nagekomen. Omdat werknemer als uitvoerder verantwoordelijk was voor de veiligheid op de bouwplaats, hoefde werkgeefster geen toezichthouder voor het toezicht op de uitvoerder in te schakelen. Werknemer was als uitvoerder op de hoogte van de risico’s van het alleen verplaatsen van een hek en had de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen dienen te nemen. Werkgeefster heeft voldoende aan haar zorgplicht voldaan en is niet aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW.
Ook de vordering tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag wordt afgewezen. Er is sprake van een relatief kort dienstverband van zeven jaar, waarvan werknemer drie jaar arbeidsongeschikt was. Gesteld noch gebleken is dat de re-integratie-inspanningen van werkgeefster onvoldoende zijn geweest. Tot slot wordt de (financiële) compensatie tijdens de arbeidsongeschiktheid meegewogen. Gebleken is dat werkgeefster tijdens de eerste drie jaren van de arbeidsongeschiktheid 100% van het loon aan werknemer betaald heeft, terwijl zij in het tweede en derde ziektejaar ‘slechts’ verplicht was 70% van het loon uit te betalen. Tevens heeft werkgeefster onweersproken gesteld dat werknemer gedurende zijn arbeidsongeschiktheid de auto van de zaak en de telefoon heeft mogen blijven gebruiken. Volgt afwijzing van de vorderingen.