Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 januari 2012
ECLI:NL:RBMID:2012:BV5144
werknemer/Stichting Zeeuwse Schaapskudde
Werknemer is in dienst van de Stichting Zeeuwse Schaapskudde als herder. Na een arbeidsconflict is overeenstemming bereikt over een beëindigingsregeling. Werknemer heeft op 3 oktober 2010 een bijzonder afscheid georganiseerd. Hijzelf en de door hem ingehuurde doedelzakspeler hebben zich in traditionele Schotse kleding gestoken, hebben de schaapskudde van de Stichting opgehaald en zijn daarmee naar het dorp getrokken. Werknemer heeft met de doedelzakspeler en de kudde een ronde gemaakt. Op 5 oktober 2010 is werknemer op staande voet ontslagen wegens het meenemen van de schapen voor het afscheid. Thans stelt werknemer dat een dringende reden ontbreekt. Hij vordert gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging.
Met werknemer is de kantonrechter van oordeel dat objectief bezien er geen dringende reden was voor het ontslag. Werknemer heeft gemeend op een vrolijke en bijzondere wijze afscheid te nemen van zijn kudde en het dorp. Niet gesteld of gebleken is dat werknemer zich tijdens zijn feestelijke afscheidsronde negatief heeft uitgelaten over de Stichting of de reputatie van de Stichting op andere wijze heeft geschaad. Integendeel, de afscheidsronde met de kudde is destijds in het dorp positief ontvangen, zo blijkt uit publicaties. Ná de afscheidsronde met de kudde heeft de Stichting zelf negatieve publiciteit veroorzaakt door haar aangifte van diefstal tegen werknemer. Deze aangifte was geen redelijke reactie op het voorval. Ook voor de Stichting moet het duidelijk zijn geweest dat werknemer nooit het oogmerk heeft gehad zich de kudde toe te eigenen. Werknemer heeft de kudde immers weer teruggebracht naar de wei, waar hij deze had opgehaald. De gevorderde gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen.
In reconventie heeft de Stichting aangevoerd dat zij per abuis en onverschuldigd na de 26e week van de arbeidsongeschiktheid 100% van het loon aan werknemer is blijven betalen, terwijl hij volgens de cao gedurende de tweede periode van 26 weken slechts recht heeft op 90% van zijn loon. Geoordeeld wordt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is het te veel betaalde loon terug te vorderen. Werknemer mocht erop vertrouwen dat de Stichting hem tijdens zijn arbeidsongeschiktheid 100% van zijn loon wilde doorbetalen, temeer omdat de Stichting bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet heeft gereclameerd en nadien nog geruime tijd heeft gewacht en door werknemer in rechten is betrokken, alvorens ter zake een tegenvordering in te stellen. De vordering tot betaling van niet-genoten vakantiedagen wordt toegewezen. Ingevolge artikel 4:3 van de Arbeidstijdenwet is de werkgever verplicht een deugdelijke registratie van arbeids- en rusttijden bij te houden. Dat de Stichting geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden, komt voor haar rekening. Voorts vordert werknemer nog betaling van overuren. Hij wordt in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van de instemming met de overuren door de Stichting. Volgt aanhouding van de zaak.