Rechtspraak
X/Channel BV
X heeft in de periode 25 augustus tot en met 30 september 2010 werkzaamheden verricht voor Channel in de functie van verkoopster binnendienst. Per e-mail is X door de directeur van Channel bevestigd dat haar op korte termijn een arbeidsovereenkomst zal worden aangeboden door Sellair, een rechtspersoon waarmee Channel samenwerkt. X heeft Channel voor haar werkzaamheden een tweetal facturen verzonden via haar eenmanszaak. Op 2 oktober 2010 is X medegedeeld dat Channel zich genoodzaakt ziet om per direct geen gebruik meer te maken van de diensten van X. X beroept zich op de vernietigbaarheid van de opzegging vanwege het ontbreken van toestemming van UWV WERKbedrijf.
De rechtbank oordeelt als volgt. Tussen partijen is in geschil of de overeenkomst van opdracht op grond waarvan X werkzaamheden heeft verricht tevens als arbeidsverhouding in de zin van het BBA gekwalificeerd dient te worden. Met name is in geschil of X als werknemer in de zin van het BBA kan worden aangemerkt. X kan slechts dan als werknemer in de zin van artikel 1 onder b 2° van het BBA worden gekwalificeerd indien zij uit hoofde van de met Channel gesloten overeenkomst van opdracht gehouden was de arbeid persoonlijk te verrichten. X heeft hiertoe onvoldoende gesteld. Weliswaar mag worden aangenomen dat bedrijven het werven van klanten in het algemeen niet aan zomaar eenieder zullen overlaten, maar daaruit volgt niet zonder meer dat X uit hoofde van de overeenkomst van opdracht gehouden was deze taak persoonlijk te verrichten. Het BBA is derhalve niet van toepassing. De rechtbank overweegt tot slot dat de verder niet gemotiveerde stelling van X dat Channel gehouden was een redelijke opzegtermijn in acht te nemen op grond van artikel 7:408 BW geen steun vindt in het recht. Volgt afwijzing van de vorderingen.