Rechtspraak
werkneemster/werkgever
Werkneemster (52 jaar) is op 1 november 2001 bij werkgever in dienst getreden in de functie van doktersassistente voor 24 uur per week. Zij is op 5 februari 2006 arbeidsongeschikt geraakt (aanvankelijk met RSI/KANS-klachten, aansluitend met burn-out-klachten). Op 14 februari 2006 heeft zij haar werkzaamheden voor vijftig procent hervat. Vervolgens is werkneemster op 17 april 2006 weer volledig arbeidsongeschikt geraakt en tot het einde van het dienstverband gebleven. Aan werkneemster is in mei 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, gebaseerd op honderd procent arbeidsongeschiktheid. De arbeidsovereenkomst is met toestemming van de CWI opgezegd tegen 1 oktober 2008. Volgens werkneemster is de opzegging kennelijk onredelijk. Volgens haar is de oorzaak en het voortduren van haar arbeidsongeschiktheid aan werkgever te wijten. Daarnaast doet zij een beroep op het gevolgencriterium. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd, omdat werkneemster er niet in is geslaagd overtuigend aan te tonen dat werkgever de klachten van werknemer verweten kunnen worden. Tegen dit oordeel keert werkneemster zich in cassatie, stellende dat in een situatie als de onderhavige de bewijslastverdeling van artikel 7:658 lid 1 BW zou moeten plaatsvinden. Werkneemster legt in dat verband vooral nadruk op de omstandigheid dat sprake is van werkgerelateerde problemen.
De advocaat-generaal concludeert als volgt. Deze klacht faalt om een aantal redenen: (1) het gaat om een volstrekt onnodige innovatie van het recht. Artikel 7:658 BW biedt in voorkomende gevallen voldoende soelaas. Wanneer een eisende partij om haar moverende redenen afziet de vordering (mede) op deze bepaling te baseren, is er geen reden om een deel van de regeling over te planten naar andere rechtsgebieden; (2) de gevolgen van de bepleite benadering zijn moeilijk te overzien. Niet alleen op het stuk van op kennelijk-onredelijkontslagvorderingen, maar ook daarbuiten. Analoge toepassing van de bewijslastverdeling van artikel 7:658 lid 2 BW in (bepaalde?) artikel 7:681 BW-situaties doet terstond de vraag rijzen waarom niet eenzelfde benadering zou moeten worden gevolgd in bijvoorbeeld artikel 6:162 BW-gevallen, met name dan wanneer verband tussen een bepaalde gebeurtenis en de schade van de eisende partij kan worden aangenomen (of vaststaat). Dat laatste zou zéér verstrekkende gevolgen hebben die een ware juridische revolutie zouden ontketenen. Maar ook aanvaarding van de bepleite regel louter voor artikel 7:681 BW-situaties zou verstrekkende – en mogelijk niet beoogde – gevolgen kunnen hebben; (3) omkering van de bewijslast en daarmee van het bewijsrisico is een zwaar middel. Zo’n middel dient met terughoudendheid te worden toegepast. Toepassing van de bewijslastverdeling van artikel 7:658 BW wanneer de vordering niet is gestoeld op artikel 7:658 BW, maar op het een beweerd tekortschieten van de werkgever in zijn zorgplicht is daarom in haar algemeenheid een brug te ver; (4) ook ten aanzien van bijvoorbeeld vorderingen gestoeld op artikel 7:611 BW gelden de ‘normale’ regels van bewijslastverdeling. Zo bezien ligt allerminst voor de hand dat dit anders zou zijn voor artikel 7:681 BW.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.